| Gamal Abdel Nasser | ||||
|---|---|---|---|---|
| Geboren | 15 januari 1918 | |||
| Geboorteplaats | Alexandrië | |||
| Overleden | 28 september 1970 | |||
| Overlijdensplaats | Caïro | |||
| Partij | Liberation Rally (1953-1954) NU (1957-1962) ASU (1962-1970) | |||
| Tweede president van Egypte | ||||
| Ambtstermijn | 23 juni 1956 – 28 september 1970 | |||
| Voorganger | Mohammed Naguib | |||
| Opvolger | Anwar Sadat | |||
| Partner | Tahia Kazem | |||
| Handtekening | ||||
| ||||
Gamal Abdel Nasser (Arabisch: جمال عبد الناصر, ǧamāl ʿabd an-nāṣir) (ook Djamal Abd al-Nasser) (Alexandrië, 15 januari 1918 – Caïro, 28 september 1970) was de tweede president van Egypte. Hij wordt gezien als een van de belangrijkste Arabische leiders in de geschiedenis.
Gamal Abdel Nasser Hussein werd op 15 januari 1918 geboren in Bakos (Alexandrië, Egypte), een jaar voor de tumultueuze gebeurtenissen van de Egyptische Revolutie van 1919. Nassers vader, Abdel Nasser Hussein, was een medewerker bij de posterijen; hij was geboren in Beni Mur in Opper-Egypteen opgegroeid in Alexandrië. Zijn moeder, Fahima Hammad, werd geboren in het dorp Bani Murr en was de dochter van een kolenhandelaar uit Alexandrië. Haar familie was afkomstig uit Mallawi (Minya gouvernement). Zijn ouders waren in 1917 getrouwd. Nasser had twee broers: Izz al-Arab en al-Leithi. Nassers biografen Robert Stephens en Said Aburish schreven dat zijn familie sterk hechtte aan het "Arabische begrip van glorie", aangezien de naam van zijn broer, Izz al-Arab, vertaald kan worden als "Glorie van de Arabieren".
Het gezin van Nasser reisde veel vanwege het werk van zijn vader. In 1921 verhuisden ze naar Asyut en in 1923 naar Khatatba, waar Nassers vader een postkantoor beheerde. Nasser bezocht tot 1924 een lagere school voor kinderen van spoorwegmedewerkers; daarna werd hij naar Caïro gestuurd om bij zijn oom van vaderskant te wonen en naar de Nahhasin lagere school te gaan.
Nasser wisselde brieven uit met zijn moeder en bezocht haar tijdens de feestdagen. Eind april 1926 ontving hij geen berichten meer. Bij zijn terugkeer in Khatatba kwam hij erachter dat zijn moeder was overleden na de geboorte van zijn derde broer, Shawki, en dat zijn familie dit nieuws voor hem had verzwegen. Nasser verklaarde later dat "het verlies van haar op deze manier een schok teweegbracht die zo diep zat, dat de tijd die niet kon helen". Hij was dol op zijn moeder, en de pijn om haar dood werd verergerd doordat zijn vader nog voor het einde van het jaar hertrouwde.
In 1928 verhuisde Nasser naar Alexandrië om bij zijn grootvader van moederskant te gaan wonen en de Attarin-basisschool in die stad te studeren. In 1929 vertrok hij naar een particuliere kostschool in Helwan; later keerde hij terug naar Alexandrië om naar de middelbare school Ras el-Tin te gaan en zich bij zijn vader te voegen, die bij de stedelijke postdienst werkte. Het was in Alexandrië dat Nasser betrokken raakte bij politiek activisme. Nadat hij op het Manshia-plein getuige was geweest van botsingen tussen demonstranten en de politie, sloot hij zich bij de demonstratie aan zonder op de hoogte te zijn van het doel ervan. Het protest, georganiseerd door de ultranationalistische Young Egypt Society, riep op tot een einde aan het kolonialisme in Egypte, naar aanleiding van het intrekken van de Egyptische grondwet van 1923 door premier Isma'il Sidqi. Nasser werd gearresteerd en bracht een nacht in hechtenis door voordat zijn vader hem vrijkreeg. In 1934 sloot Nasser zich voor korte tijd aan bij de paramilitaire tak van de groep, die bekendstond als de 'Groene Hemden'. Zijn betrokkenheid bij de groep en zijn actieve rol in studentendemonstraties in die periode "wakkerden een fel Egyptisch nationalisme bij hem aan", aldus historicus James Jankowski.
Wegens zijn lage sociale afkomst en zijn politieke activiteiten werd hij aanvankelijk geweigerd aan de militaire academie. Vanaf 1937 kon hij toch een officiersopleiding volgen aan de militaire academie en hij promoveerde in 1938. In 1942 werd hij als docent aan de militaire academie aangesteld. Kort daarna richtte hij een geheime organisatie op genoemd de Vrije Officieren. Hij nam deel aan de Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948 waarin hij gewond raakte.
Op 23 juli 1952 voerden de Vrije Officieren een geweldloze staatsgreep uit, waarbij zij de corrupte koning Faroek I verdreven. Generaal Ali Mohammed Naguib, volgens Arabieren een van de helden van de Arabisch-Israëlische oorlog, werd aangesteld als eerste minister. Na het uitroepen van de republiek op 18 juni 1953 werd deze laatste ook de eerste president van Egypte. Nasser zelf (ondertussen kolonel geworden) nam de functies van vicepremier en minister van Binnenlandse Zaken op zich.
Toen Naguib aanstalten maakte om de politieke partijen opnieuw toe te laten kwam Nasser op 17 april 1954 tussenbeide en ontnam hem het premierschap. Op 14 november 1954 werd Naguib, beschuldigd van medeplichtigheid aan een aanslag op Nasser door de Moslimbroederschap, uit al zijn functies ontzet. Nasser zelf nam de post van premier op zich. Twee jaar later werd hij de tweede president van Egypte, na een verkiezing waarbij hij de enige kandidaat was.

In 1956 probeerde Nasser een lening los te krijgen van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk om de bouw van de Aswandam op de Nijl te bekostigen. Toen dat niet lukte kondigde hij op 26 juli de nationalisering aan van het Suezkanaal. Dit veroorzaakte de Suezcrisis. Deze begon op 29 oktober met een aanval door Israël dat het Sinaïschiereiland bezette en doorstootte tot Gaza en het Suezkanaal. De Fransen en de Britten, die hun belangen in het gebied verloren zagen gaan, eisten, volgens een van tevoren met Israël gemaakte afspraak, dat zowel Egypte als Israël zich tot 10 mijl van het Suezkanaal zouden terugtrekken, waarbij Egypte dus zowel het Suezkanaal als Sinaï zou moeten prijsgeven. Toen dat door Nasser afgewezen werd, landden op 5 november troepen van de Brits-Franse coalitie bij het kanaal. Onder druk van zowel de Verenigde Staten als de Sovjet-Unie in de Verenigde Naties, moest de coalitie echter haar eisen opgeven en haar troepen terugtrekken. De Israëli's, die het Egyptische leger verslagen hadden, verkregen in ruil voor hun terugtrekking uit het Sinaïschiereiland de toezegging dat de acties van de Fedayin vanaf Egyptisch grondgebied zouden stoppen. Ondanks het succes van Israël won Nasser heel wat respect binnen de Arabische wereld door zijn onverzettelijke houding ten opzichte van de "imperialisten".
In 1958 gingen Egypte en Syrië op in één staat, de Verenigde Arabische Republiek (VAR), met Djamal Abd al-Nasser als president en de Nationale Unie als enige politieke partij. Kort daarop werd ook Noord-Jemen opgenomen in deze unie. In 1961 verliet Syrië de unie. In 1965 werd Nasser zonder tegenstand herkozen als president van de VAR.
In 1967 sloot Nasser de Golf van Akaba af voor de Israëlische schepen en stuurde massaal troepen naar de grens met Israël, hetgeen aanleiding werd tot de Zesdaagse Oorlog met Israël. Na zijn nederlaag in dit conflict nam Nasser zijn verantwoordelijkheid en bood zijn ontslag aan. Hij bleef echter toch in functie na massale demonstraties ten gunste van zijn aanblijven. Een paar dagen later trok hij ook het premierschap en het leiderschap van de enige toegelaten politieke partij, de Arabische Socialistische Unie, naar zich toe. De militaire en sociaaleconomische heropbouw had plaats met de hulp van de Sovjet-Unie, waarvan de invloed in Caïro dan ook steeds groter werd.
Op 28 september 1970 stierf Nasser aan een hartaanval in zijn villa bij Caïro. Hij werd als president opgevolgd door Mohammed Anwar al-Sadat.
Nasser huwde in 1944 in Caïro met Tahia Khazim, de dochter van een Perzische zakenman. Het koppel kreeg drie zonen en twee dochters.
Naslagwerken