Albanië

Republika e Shqipërisë
Kaart
Basisgegevens
Officiële taal Albanees
Hoofdstad Tirana
Regerings­vorm Parlementaire republiek met een meerpartijenstelsel (democratie)
Staatshoofd President Bajram Begaj
Regerings­leider Premier Edi Rama
Religie Islam 50,67%
Christendom 16%
Irreligie 13,82%
Atheïsme 3,15%
Oppervlakte 28.748 km² (4,7% water)
Inwoners 2.335.930 (2026) 107/km²
Bijv. naamwoord Albanees
Inwoner­aanduiding Albanees (m./v.)
Albanese (v.)
Overige
Motto Ti Shqipëri, më jep nder, më jep emrin Shqiptar.

(Jij Albanië, geeft me eer, je geeft mij de naam Albanees.)

Volkslied Himni i Flamurit
Munteenheid Lek (ALL)
UTC +1 (zomer +2)
Nationale feestdag 28 november
Web | Code | Tel. .al | ALB | 355
Voorgaande staten
Socialistische Volksrepubliek Albanië Socialistische Volksrepubliek Albanië1991
Detailkaart
Kaart van Albanië
Portaal  Portaalpictogram  Landen & Volken

Albanië (Albanees: Shqipëria), officieel de Republiek Albanië (Albanees: Republika e Shqipërisë), is een land in Zuidoost-Europa. Het land ligt in het zuidwesten van de Balkan aan de Ionische en Adriatische Zee. Albanië grenst kloksgewijs aan Montenegro, Kosovo, Noord-Macedonië en Griekenland. De hoofdstad van Albanië is Tirana.

Albanië werd in 1912 onafhankelijk van het Ottomaanse Rijk en is sinds 1991 een parlementaire republiek na de val van het communisme. De enige officiële taal in Albanië is Albanees. Het land heeft een oppervlakte van 28.748 km² en telt ruim 2,3 miljoen inwoners.

Albanië is lid van de Verenigde Naties, de NAVO, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, de Raad van Europa, de Centraal-Europese Vrijhandelsassociatie, de Unie voor het Middellandse Zeegebied, de Wereldhandelsorganisatie en de Organisatie voor Islamitische Samenwerking. Sinds 24 juni 2014 is Albanië kandidaat-lid van de Europese Unie.

Etymologie

Het eerste Albanese vorstendom, het vorstendom Arbër, ontstond in 1190. Het werd door de Albanezen aangeduid als "Arbëria". Tot de 17e eeuw gebruikten Albanezen, afhankelijk van de Toskische of Gegische dialectgroep, voor zichzelf de benamingen "Arbëror" en "Arbën". Vanaf de 17e eeuw werd de benaming "Shqiptar" aangenomen. Het Albanese woord "Shqiponja" betekent adelaar, terwijl "Shqipëria" wordt vertaald als land van de adelaar. In het standaard-Albanees (Toskisch) is de benaming voor Albanië "Shqipëria"; de onbepaalde vorm is "Shqipëri". In het Gegisch zijn dit respectievelijk "Shqipnia" en "Shqipni". De officiële naam van het land luidt "Republika e Shqipërisë", letterlijk "de Republiek van Albanië".

De internationale benaming "Albania" is afgeleid van het middeleeuws Latijn en verwijst naar de Illyrische stam Albanoi, die het gebied in de oudheid regeerde.

Geschiedenis

Zie Geschiedenis van Albanië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Geschiedenis van Albanië (1912-)
Onafhankelijk Albanië
(1912-1914)
Vorstendom Albanië
(1914-1925)
Albanese Republiek
(1925-1928)
Koninkrijk Albanië
(1928-1939)
Italiaanse protectoraat
(1939-1943)
Duitse protectoraat
(1943-1944)
Communistisch Albanië
(1946-1991)
Republiek Albanië
(1991-)
Viering van de Albanese onafhankelijkheid
Ismail Qemali (1844-1919), eerste staatshoofd van het moderne Albanië

Albanië verklaarde zich na een reeks opstanden op 28 november 1912 onafhankelijk van het Ottomaanse Rijk. In december van dat jaar werd de Voorlopige regering van Albanië gevormd. Premier Ismail Qemali werd het eerste staatshoofd. De zuidelijke stad Vlorë fungeerde als hoofdstad van de nieuwe staat.

De Albanese onafhankelijkheid werd uitgeroepen tijdens de Eerste Balkanoorlog. De legers van Servië, Montenegro en Griekenland bezetten destijds grote delen van de door Albanezen bevolkte gebieden nadat de drie landen, en Bulgarije; echter niet betrokken bij de bezetting van Albanië, een bondgenootschap vormden om de Ottomaanse troepen uit de Balkan te verdrijven. Deze drie landen beschouwden de Albanezen, die zich merendeels tot de islam hadden bekeerd gedurende de vier eeuwen durende Ottomaanse heerschappij, in veel gevallen als verbonden met het Ottomaanse Rijk en wilden mede hierdoor aanspraak maken op gebieden in Albanië. Als gevolg hiervan trokken Servische troepen het noorden en oosten binnen, Montenegro bezette gebieden in het noordwesten en Griekse troepen trokken Zuid-Albanië binnen. Er vonden gewapende opstanden en guerrilla-activiteiten plaats, maar een eigen gestabiliseerde krijgsmacht had Albanië nog niet. De strijd ging op verschillende plaatsen gepaard met geweld tegen de burgerbevolking. Tijdens de Balkanoorlogen wist Albanië onder meer Shkodër te behouden nadat de stad na een belegering was overgedragen, terwijl ook de kustlijn uiteindelijk behouden bleef.

De internationale erkenning en de definitieve grenzen van Albanië werden vastgesteld tijdens de Vrede van Londen in juli 1913 als gevolg van de Balkanoorlogen. Albanië moest daarbij aanzienlijke gebieden afstaan aan Servië, Montenegro en Griekenland. Hierdoor kwam een groot deel van de etnisch Albanese bevolking buiten de grenzen van de nieuwe Albanese staat te wonen. Italië en Oostenrijk-Hongarije steunden de oprichting en onafhankelijkheid van Albanië mede vanuit strategische overwegingen. Zij wilden voorkomen dat Servië een dominante positie aan de Adriatische Zee zou verwerven. Aan de andere kant waren de bondgenoten van Servië, onder wie Rusland en Frankrijk, tegen uitbreiding van de Albanese staat.

Kaart van Albanië in 1913 (wit); de lichtbruine gebieden moest het afstaan aan de buurlanden, zo bepaalde de Vrede van Londen

De grootmachten besloten in 1913 dat de Duitse prins Wilhelm zu Wied, een familielid van Wilhelmina der Nederlanden, als vorst van Albanië zou optreden. De Albanese premier Ismail Qemali steunde de benoeming. Wilhelm zu Wied wees het aanbod aanvankelijk af, maar aanvaardde uiteindelijk de troon. In februari 1914 ontstond het vorstendom Albanië. Durrës werd de zetel van de regering. Later werd ook Lushnjë als regeringscentrum gebruikt. Het bewind van vorst Wilhelm zu Wied werd al snel geconfronteerd met opstanden, regionale machtsstrijd en het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

Bezetting van Albanië (1914) tijdens de Eerste Wereldoorlog

Nadat Wilhelm zu Wied in 1914 het land had verlaten, viel het centrale gezag verder uiteen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd Albanië door verschillende strijdende partijen bezet. Servische en Montenegrijnse troepen trokken zich terug nadat zij door de Oostenrijks-Hongaarse strijdkrachten waren verslagen. Oostenrijk-Hongarije bezette vervolgens grote delen van Noord- en Centraal-Albanië. Het Koninkrijk Bulgarije bezette delen van het oosten van Albanië, terwijl Frankrijk in het zuidoosten onder meer Korçë en Pogradec onder controle bracht. Italiaanse troepen bezetten delen van Zuid-Albanië. In 1920 trokken de Italianen zich na de Vlora-oorlog terug.

Tijdens de Vredesconferentie van Parijs na de Eerste Wereldoorlog werd opnieuw over de toekomst en de grenzen van Albanië onderhandeld. Er bestonden plannen en voorstellen om Albanese gebieden geheel of gedeeltelijk aan buurlanden toe te wijzen. De Amerikaanse president Woodrow Wilson verzette zich tegen een verdeling van Albanië en steunde het behoud van een onafhankelijke Albanese staat. In 1920 werd het Congres van Lushnjë gehouden, waarbij Albanese politieke leiders de onafhankelijkheid en territoriale integriteit van het land bevestigden en een nieuwe politieke structuur voor de Albanese staat vormden. Tijdens het congres werd Tirana de hoofdstad van Albanië, waarmee het land een centraal gelegen regeringscentrum kreeg.

Gedurende het begin van de 20e eeuw bleven grensgeschillen tussen Albanië en Griekenland bestaan over de regio Epirus waarna een Noord- en Zuid-Epirus ontstond. De Griekse bevolking vormde een belangrijke minderheid in Noord-Epirus, dat in Zuid-Albanië ligt. De Grieken riepen de regio eenzijdig onafhankelijk van Albanië, waarna er een kortstondig conflict ontstond met Albanese autoriteiten. De Albanese regering probeerde haar gezag over het gebied te vestigen en zette daarbij onder meer soldaten, politie en gendarmerie in waarna het conflict met Griekse opstandelingen escaleerde. De internationale grenzen werden uiteindelijk vastgelegd door de grote mogendheden, waarbij Noord-Epirus onderdeel bleef van Albanië.

Koning Zog I van Albanië (1895-1961)

In 1924 brak een politieke crisis uit die leidde tot de val van premier Ahmet Zogu en de vorming van de regering van Fan Noli. Deze regering voerde hervormingen door, maar hield slechts enkele maanden stand; later dat jaar keerde Zogu met gewapende steun terug en nam hij de macht opnieuw over. In 1925 werd Albanië een republiek en werd Ahmet Zogu president. In 1928 riep hij het land uit tot een koninkrijk en nam hij als koning de naam Zog I aan. Daarmee werd de monarchie hersteld zoals die in de middeleeuwen onder Skanderbeg bestond. Onder het bewind van koning Zog I onderging Albanië een periode van modernisering en verstedelijking, mede met financiële en politieke steun van Italië. Ook het Albanese leger kwam sterk onder Italiaanse invloed te staan. De afhankelijkheid van Italië nam gedurende de jaren 1930 verder toe. In 1939 viel Italië Albanië binnen tijdens de Italiaanse invasie van Albanië. Koning Zog I en het Albanese koningshuis gingen daarop in ballingschap. Albanië werd vervolgens onderdeel van het door Italië bestuurde koninkrijk Albanië en stond onder het gezag van de Italiaanse koning Victor Emmanuel III.

Tijdens de Italiaanse bezetting werden gedurende de Tweede Wereldoorlog gebieden van het door de Asmogendheden uiteengevallen Joegoslavië met een aanzienlijke Albanese bevolking aan het koninkrijk Albanië toegevoegd. Dit betrof delen van het huidige Noord-Macedonië, Montenegro, Servië en Kosovo. Een poging om ook Zuid-Epirus te annexeren mislukte. In september 1943 capituleerde Italië. Duitse troepen namen vervolgens de controle over Albanië over. Duitsland handhaafde een formeel onafhankelijke Albanese staat, maar de daadwerkelijke macht lag grotendeels bij de Duitse bezettingsautoriteiten en hun Albanese bondgenoten. Het Albanese verzet werd later steeds sterker. In november 1944 verlieten de laatste Duitse troepen het land en kwam Albanië onder controle van de communistisch geleide Nationale Bevrijdingsbeweging van Albanië. Albanië was daarmee bevrijd van de Duitse bezetting. In 1946 werd vervolgens de monarchie afgeschaft en de Volksrepubliek Albanië uitgeroepen.

Kaart van Albanië (1943) tijdens de Italiaanse en Duitse bezetting gedurende de Tweede Wereldoorlog

Gedurende de oorlogsjaren collaboreerden verschillende nationalistische en anticommunistische bewegingen, waaronder de Balli Kombëtar, de SS Skanderbeg-divisie en de Vulnetari, met de Italiaanse en later Duitse bezettingsmacht. Een belangrijk motief voor een deel van deze bewegingen was het streven naar een politiek verenigd gebied met een grote Albanese bevolking, dat in de nationalistische ideologie werd aangeduid als Groot-Albanië. Tegenstanders waren onder meer de communistische Albanese verzetsbeweging, de Joegoslavische partizanen, de Servische Četniks en de Nationaal Republikeinse Griekse Liga. Etnische minderheden werden tijdens de oorlog in het territoriaal uitgebreide Koninkrijk Albanië getroffen door buitensporig geweld, internering, vervolging en verdrijving waarbij ook Albanese veiligheids- en militaire eenheden een rol speelden in het streven naar etnische homogeniteit in de regio. Naast de kleinere Griekse- en Roma-doelwitten werd voornamelijk de Servische bevolking in Kosovo slachtoffer van oorlogsmisdaden.

In juni 1942 kondigde de Albanese premier, Mustafa Kruja, maatregelen tegen de Servische bevolking aan. Schattingen van het aantal Serviërs dat gedurende de oorlog uit Kosovo werd verdreven lopen uiteen en variëren van 70.000 tot 100.000. Tegelijkertijd hebben de kleinschalige Joodse gemeenschappen de oorlog in Albanië vrijwel allemaal overleefd, een zeldzame uitzondering in een door de asmogendheden bezet gebied. Na de oorlog werden de nationalistische en anticommunistische guerrillabewegingen grotendeels verslagen door de communistische strijdkrachten. Verschillende leden van deze bewegingen werden onder het latere communistische regime geëxecuteerd of gevangengezet, terwijl anderen het land ontvluchtten.

Na de Tweede Wereldoorlog werd Albanië bestuurd door de Albanese Partij van de Arbeid, onder leiding van communist Enver Hoxha. In de eerste naoorlogse jaren onderhield Albanië nauwe betrekkingen met de Sovjet-Unie en werd het land onderdeel van het communistische Oostblok. Hoxha onderhield aanvankelijk nauwe banden met Jozef Stalin, voor wie hij grote bewondering had. Onder Hoxha werd Albanië een van de meest geïsoleerde communistische staten van Europa. In 1967 verklaarde de regering Albanië tot de eerste officieel atheïstische staat ter wereld en werden religieuze instellingen verboden. Honderden kerken, moskeeën en andere religieuze gebouwen werden gesloten, vernietigd of voor andere doeleinden gebruikt. Ook religieuze gebruiken en namen werden sterk beperkt. Hoxha combineerde het communistische bewind met een uitgesproken streven naar nationale identiteit en soevereiniteit. Binnen dit beleid werden Griekse- Slavische- en Roma-minderheden geconfronteerd met vormen van onderdrukking. Hun etnische identiteit en taal werden beperkt en assimilatie werd bevorderd.

Communist Enver Hoxha (1908-1985)

Hoxha kwam regelmatig in conflict met de Joegoslavische president Josip Broz Tito. De betrekkingen tussen Albanië en Joegoslavië verslechterden al kort na de Tweede Wereldoorlog. In het destijds Joegoslavische Kosovo genoot Hoxha onder een deel van de Albanese bevolking aanzienlijke populariteit vanwege het bewaken van de Albanese identiteit aldaar. De spanningen tussen Albanië en Joegoslavië droegen bij aan de militarisering van het Albanese regime. Het Albanese Volksleger werd sterk uitgebreid en het arsenaal aan vuurkracht werd geleverd door de bondgenoten uit de Sovjet-Unie en China. Tevens bouwde Albanië op grote schaal bunkers en wapendepots. Een daadwerkelijke Joegoslavische invasie bleef echter uit.

Na de dood van Stalin in 1953 verslechterden de betrekkingen tussen Albanië en de Sovjet-Unie. Hoxha verzette zich tegen de destalinisatie onder Nikita Chroesjtsjov en verbrak uiteindelijk de diplomatieke en politieke banden met Moskou. Albanië ontwikkelde vervolgens nauwe betrekkingen met de Volksrepubliek China. In deze periode vond industrialisatie plaats en nam de verstedelijking toe. Ook het onderwijs werd uitgebreid en het analfabetisme sterk teruggedrongen. De Albanese economie bleef echter sterk gecentraliseerd en kende structurele problemen. In 1978 verbrak China de economische en politieke steun aan Albanië, waarna het land in toenemende mate internationaal geïsoleerd raakte.

Durrës tijdens het communistische regime (1978)

Na de dood van Enver Hoxha in 1985 begon het communistische systeem geleidelijk te verzwakken. In 1990 vonden massale protesten plaats en werden politieke hervormingen doorgevoerd. Bij de verkiezingen van 1991 verloren de communisten hun monopolie op de macht. In 1991 kwam daarmee een einde aan het communistische eenpartijbewind. In 1990-1992 verlieten grote aantallen Albanezen het land, vooral richting Italië en Griekenland, als gevolg van de economische en politieke instabiliteit tijdens de overgang naar een democratisch systeem. Deze massale emigratie had langdurige gevolgen voor de Albanese samenleving en economie.

Een helikopter van de Amerikaanse marine landt op het terrein van de Amerikaanse ambassade in Tirana tijdens de Albanese anarchie van 1997

In 1996-1997 raakte Albanië in een ernstige politieke en economische crisis. Een groot deel van de bevolking had geïnvesteerd in frauduleuze beleggingsfondsen die in feite ponzifraude-achtige piramidestructuren waren. Toen deze structuren instortten, verloren honderdduizenden Albanezen hun spaargeld. De daaropvolgende protesten en gewelddadigheden leidden tot een ernstige verstoring van het staatsgezag en worden aangeduid als de Albanese anarchie van 1997. Uiteindelijk werd internationale hulp ingeroepen om de orde te herstellen.

In 1998-1999 vond in buurland Joegoslavië een gewapend conflict plaats in Kosovo tussen Joegoslavische strijdkrachten en de etnisch Albanese guerrillaorganisatie UÇK. Albanië nam niet direct deel aan de Kosovo-oorlog. De grens met Albanië was echter belangrijk voor het Bevrijdingsleger van Kosovo (UÇK), omdat vanuit Albanië medische en logistieke ondersteuning werd verleend. Daarnaast bevonden zich in Noord-Albanië militaire bases en trainingslocaties waar wapens en munitie van het UÇK werden opgeslagen, maar waren er ook detentiekampen. Later zouden enkele UÇK-kopstukken veroordeeld worden vanwege oorlogsmisdaden.

Het Albanese leger raakte zelf betrokken bij de Slag bij Košare; tijdens deze missie werden luchtaanvallen gecoördineerd door Albanese troepen en NAVO-opperbevelhebber Wesley Clark. In de daaropvolgende conflicten tussen 1999 en 2001 in Centraal-Servië en destijds Macedonië, speelde Albanië geen rol en distantieerde Tirana zich van de gewapende Albanese opstanden in deze gebieden.

Edi Rama, premier van Albanië sinds 2013

Sinds de overgang naar een meerpartijenstelsel in 1991 is Albanië een parlementaire democratie. Het land werd lid van verschillende internationale organisaties. In april 2009 trad Albanië toe tot de NAVO. Sinds september 2013 is Edi Rama premier van de Republiek Albanië. Zijn Socialistische Partij won vervolgens de parlementsverkiezingen van 2017, 2021 en 2025, waardoor Rama aan het hoofd van opeenvolgende regeringen bleef. Sinds 2022 is Bajram Begaj president van Albanië.

In Albanië vormen corruptie, georganiseerde misdaad, emigratie en politieke polarisatie belangrijke maatschappelijke en politieke uitdagingen. Tegelijkertijd heeft het land sinds de jaren 2010 economische groei doorgemaakt. Vanaf 2020 nam met name het toerisme sterk toe. Ook binnen- en buitenlandse investeringen droegen bij aan de economische ontwikkeling. Vooral de regio rond de hoofdstad Tirana onderging een snelle modernisering op infrastructureel en commercieel gebied. Een belangrijke doelstelling van Albanië is toetreding tot de Europese Unie. Het land kreeg in juni 2014 de status van kandidaat-lidstaat. De Europese Unie besloot in maart 2020 formeel tot het openen van de toetredingsonderhandelingen en op 19 juli 2022 vond de eerste intergouvernementele conferentie plaats, waarmee de onderhandelingen formeel van start gingen.

Het "Skanderbegplein" in de Albanese hoofdstad Tirana.

In mei 2026 vonden in Albanië grootschalige protesten plaats tegen een door Jared Kushner gesteund resortproject aan de kust. De protesten groeiden daarna uit tot een bredere beweging tegen corruptie, politiek machtsmisbruik en de huidige premier Edi Rama. De beweging, die bekendstaat als de Flamingorevolutie, gebruikte flamingo's als symbool voor het bedreigde kust- en moerasgebied.

Geografie

Satellietfoto van Albanië

Albanië ligt in het zuidwesten van het Balkanschiereiland en grenst aan Montenegro, Kosovo (al erkent Servië de Kosovaarse onafhankelijkheid niet en beweert het te grenzen aan Albanië), Noord-Macedonië en Griekenland. Het heeft een oppervlakte van 28.748 km² en is ruw en bergachtig, behalve de vruchtbare Adriatische kust.

"Maja e Çikës" in Zuid-Albanië

De hoogste bergen zijn te vinden in de Albanese Alpen, in het noorden van het land, het Korabgebergte in het oosten, het Pindosgebergte in het zuidoosten, het Keraunisch Gebergte in het zuidwesten en het Skanderbeggebergte in het centrum van het land. De Korab (2764 m), op de grens met Noord-Macedonië, is het hoogste punt van het land.

Rivier de Kir in Noord-Albanië

De belangrijkste rivieren van Albanië zijn de Drin, de Mat, de Shkumbin, de Vjosë en de Seman, maar de meeste zijn onbevaarbaar. De grootste meren zijn het Meer van Shkodër, het Meer van Ohrid en het Prespameer, alle ten dele buiten Albanië. Meer dan een derde van het land bestaat uit bossen en moerassen, meer dan een derde is weiland en slechts ongeveer een vijfde is gecultiveerd.

Albanië is niet rijk aan eilanden. Het land telt een tiental kleine onbewoonde eilanden voor de kust, plus een aantal nog kleinere eilanden in zijn meren. Het grootste eiland is Sazan, dat aan de ingang van de Golf van Vlorë gelegen is.

Zicht op het Albanese eiland Sazan

Klimaat

Het kustklimaat is typisch mediterraan, met hete, droge zomers en milde, natte winters. Het bergachtige binnenland, vooral in het noorden, heeft strenge winters en milde zomers.

Steden (bashki)

Zie Tabel van Albanese steden voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Zicht op Tirana, de hoofdstad en veruit de grootste stad van Albanië

De hoofdstad Tirana is met 557.422 inwoners (2011) veruit de grootste stad van het land. In het prefectuur Tirana woont, met zo'n 900.000 inwoners (2021), ongeveer 32,2% van de totale bevolking van Albanië.

Durrës, dat de grootste haven van Albanië heeft en ook het nationale spoorwegknooppunt is, is de tweede stad (175.110 inwoners). Andere grote steden (bashki) zijn respectievelijk (inwoneraantal volgens de volkstelling van 2011):

  1. Elbasan (141.714)
  2. Shkodër (135.612)
  3. Fier (120.655)
  4. Vlorë (104.827)
  5. Kamëz (104.190)

Archeologische plaatsen

Bezienswaardigheden

Demografie

Zie Bevolking van Albanië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Bevolkingsontwikkeling van Albanië

Albanië kan vanuit cultureel, historisch en geografisch oogpunt worden beschouwd als een typisch Balkanland, maar onderscheidt zich in een aantal opzichten van zijn naaste buren. Zo grenst het land, met uitzondering op Griekenland aan de voormalig-Joegoslavische landen; waar het niet-slavische Albanië geen onderdeel van was, is de islam met 50,67% de dominerende godsdienst, al maakt religie onder de etnische Albanezen weinig onderscheid en verenigen zij zich door dezelfde nationale identiteit. Verder neemt de Albanese taal binnen de Indo-Europese taalfamilie een aparte positie in. Mede door het feit dat het land vlak na de Tweede Wereldoorlog een streng, communistisch regime had, werd het van zijn buren geïsoleerd, waardoor ook de etnische homogeniteit werd behouden.

Straatbeeld in Tirana (2017)

Albanië grenst tevens aan Kosovo, een staat die een andere politieke geschiedenis heeft. Kosovo was tot 2008 lang onderdeel van Servië maar Albanezen vormen er met negentig procent de ruime etnische meerderheid. In de 19e eeuw was Kosovo het centrum van de nationale ontwaking van Albanezen op de Balkan.

Etniciteit

Etnische samenstelling in Albanië (2011)

Albanië telt 2.335.930 (2026) inwoners. De meerderheid van de bevolking is etnisch Albanees (91%). De grootste etnische minderheid in Albanië zijn de Grieken met 1% van de totale bevolking. De Roma-bevolking vormt met 0,9% na de Griekse, de grootste etnische minderheid. Erkende etnische minderheden in Albanië zijn verder Bulgaren, Macedoniërs, Montenegrijnen, Bosniakken, Serviërs en Vlachen.

Albanezen op de Balkan

Mede door het feit dat Albanië in 1913 tijdens de Vrede van Londen veel grondgebied moest afstaan aan de buurlanden wonen er meer Albanezen buiten de grenzen van het huidige Albanië dan er binnen, hoewel Albanië, en Kosovo, de enige landen zijn met een etnisch Albanese meerderheid. In 2023 woonden er ongeveer 2,2 miljoen etnische Albanezen in Albanië terwijl dat er in de buurlanden Montenegro, Kosovo, Noord-Macedonië en Griekenland er gezamenlijk ongeveer 2,5 miljoen zijn.

Kaart van Albanië en etnische Albanezen buiten de landsgrenzen

In Kosovo vormen Albanezen met ruim 90 procent van de bevolking de etnische meerderheid. Kosovo wordt sinds de uitgeroepen onafhankelijkheid erkend door 110 van de 193 VN-lidstaten.

Tevens is 25% van de bevolking van Noord-Macedonië etnisch Albanees (2002). Daarnaast een aanzienlijk aantal in Griekenland (Epirus) en kleine aantallen in Montenegro en Servië (afgezien van Kosovo). Sinds de Turkse verovering wonen de Arbëreshë in Zuid-Italië, eveneens van Albanese afkomst.

Diaspora

De moderne Albanese diaspora is grotendeels gevormd sinds 1991, na de val van het communisme in Albanië. Grote Albanese gemeenschappen zijn woonachtig in Italië, Duitsland, Zwitserland, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk.

Taal

Taal in Albanië.

In Albanië is het Albanees de enige officiële taal. Het Albanees is een Indo-Europese taal zonder enige nauwe verwanten. De taal is verdeeld over twee dialecten: het Gegisch (Noord- en Centraal-Albanië) en het Toskisch (Zuid-Albanië). Dit zijn verschillende dialecten van het Albanees oorspronkelijk gesproken door de twee Albanese stammen, de Gegen en de Tosken. Het Toskisch wordt beschouwd als de standaardvorm van het Albanees en is daarom de ambtelijke taal van het land. Het Albanese alfabet telt 36 letters en gebruikt het Latijns schrift.

Vanwege de Griekse minderheid in Zuid-Albanië is het Grieks daar een veelgesproken taal. Het Grieks, Aroemeens en het Macedonisch zijn in Albanië een erkende minderheidstaal. Verder spreekt een gering deel van de bevolking Servo-Kroatisch vanwege de kleine Slavische minderheid in Noord-Albanië, dicht bij de grens met Montenegro.

Volgens recente peilingen is 40% van de bevolking de Engelse taal machtig en 27,8% het Italiaans.

Religie

Verspreiding per religie in Albanië (1900)

De dominerende godsdiensten in Albanië bij de volkstelling van 2023 waren de islam: 50,67%, het rooms-katholicisme: 8,38%, de oosters-orthodoxe kerk: 7,22%, irreligieus: 13,82% en het atheïsme: 3,55%.

De religieuze voorkeur verschilt per bevolkingsgroep, zo zijn de meeste etnische Albanezen moslim met een katholieke en orthodoxe minderheid. In Albanië is de grootste minderheid Grieks, zij hangen voornamelijk de orthodoxe kerk aan, net als de kleinere gemeenschappen Slavische volkeren in Albanië. Van de Roma's verschilt de religieuze voorkeur.

Politiek

Politiek systeem

Plenaire zaal van de Volksvergadering van Albanië.

Albanië is een republiek met een parlement dat uit één kamer bestaat, de Volksvergadering van Albanië (Kuvendi i Shqipërisë), waarvan de afgevaardigden via algemene verkiezingen voor de termijn van vier jaar worden gekozen. Het parlement kiest de president voor een termijn van vijf jaar, en de president benoemt de premier. De uitvoerende macht wordt uitgeoefend door een ministerraad die door de premier wordt benoemd en door de president wordt goedgekeurd.

De laatste parlementsverkiezingen in Albanië vonden plaats op 11 mei 2025. De sociaaldemocratische lijst van premier Edi Rama behaalde een duidelijke overwinning.

Staatshoofden

Presidentieel paleis in Tirana.
Zie Lijst van staatshoofden van Albanië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Sinds 1991 heeft de staatshoofd van Albanië officieel de titel van president.

De voorgangers van Bajram Begaj als staatshoofd waren de volgende (sinds 1912):

Bestuurlijke indeling

Zie Bestuurlijke indeling van Albanië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Albanië kent naast de centrale overheid ook andere bestuurslagen, territoriale onderdelen waar regels vastgesteld en/of beslissingen worden genomen over bepaalde gebieden en/of hun bewoners. Het betreft de volgende bestuurslagen:

Bestuurslagen
centraal niveau prefectuurniveau lokaal niveau
Republiek Albanië
  • Republika e Shqipërisë
prefecturen
  • qarku
gemeenten
  • bashki
bestuurseenheden
  • njësia administrative
  1. ↑ De aanduidingen zijn in de ambtstaal Albanees.
  2. ↑ De prefecturen zijn ingedeeld in districten (rrheti) zonder bestuurlijke of administratieve rol.
  3. ↑ In plaats van gemeente wordt ook wel de vertaling municipaliteit of stad gebruikt.
  4. ↑ In 2015 is de bestuursvorm gemeente (komunë) afgeschaft. Deze zijn binnen de nieuwe gemeenten opgevolgd door bestuurseenheden, met alleen gedeconcentreerde taken.

Albanese Strijdkrachten

Zie Krijgsmacht van Albanië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Sinds de onafhankelijkheid van Albanië in 1912 heeft het land een eigen nationaal leger. Dit leger bestaat uit de generale staf van Albanië, de Albanese landmacht, de Albanese luchtmacht, de Albanese marine en het militair politiekorps van Albanië.

Militaire parade van het Albanese Volksleger (jaren 1980)

Albanië trad in 2009 toe tot de NAVO. Het Albanese leger is sinds de toetreding bij de NAVO behoorlijk gemoderniseerd. Het krijgt naast extra financiële middelen van Duitsland, Italië en de Verenigde Staten ook steun in modernere wapens. Ook worden de Albanese soldaten getraind volgens de NAVO-richtlijnen. De dienstplicht in Albanië is in 2010 afgeschaft. De minimumleeftijd is 18 jaar.

Internationale betrekkingen

Albanië is lid van de Verenigde Naties, de NAVO, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, de Raad van Europa, de Centraal-Europese Vrijhandelsassociatie, de UNESCO, de Wereldhandelsorganisatie, de Wereldbank en de Organisatie voor Islamitische Samenwerking. Albanië is een van de oprichtende leden van de Unie voor het Middellandse Zeegebied. Sinds 2014 is het land kandidaat-lid van de Europese Unie.

In Tirana zijn 35 buitenlandse ambassades gevestigd, daarnaast zijn er over de rest van het land nog een viertal Griekse en Italiaanse consulaten verspreid. Albanië zelf onderhoudt 36 ambassades in het buitenland.

Economie

Sinds 1926 is de Albanese lek de valuta in Albanië. De lek is onderverdeeld in 100 qindarkë. Er zijn munten van 1, 5, 10, 20, 50 en 100 lekë. De biljetten zijn van 200, 500, 1000, 2000 en 5000 lekë.

Zie economie van Albanië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Albanië is een land in ontwikkeling en behoort tot de tweede wereld.

Aan het begin van de 21e eeuw behoorde Albanië tot het armste land van Europa. Het land onderging na de jaren 1990 de gevolgen van de val van het communisme, de Albanese anarchie en de massaemigratie van meer dan 800.000 personen. Sinds de eind jaren 2010 groeit de economie van het land echter sterk vanwege het toenemende toerisme naar (hoofdzakelijk) de kust, maar ook vanwege de ontwikkeling en modernisering van de stedelijke gebieden van Tirana en Durrës.

Havenstad Durrës

De landbouw werd vroeger gesocialiseerd in de vorm van collectieve en staatslandbouwbedrijven, maar in 1992 was alle landbouwgrond geprivatiseerd. Tarwe en graan, katoen, tabak, aardappels en suikerbieten worden gekweekt en vee wordt gefokt. Albanië is rijk aan delfstoffen, in het bijzonder olie, bruinkool, koper, chroom, kalksteen, zout, bauxiet en aardgas. De chemische industrie, mijnbouw, landbouwverwerking en de vervaardiging van textiel, kleding, timmerhout en cement zijn de belangrijkste industriële sectoren. Het land heeft verscheidene hydro-elektrische installaties.

De buitenlandse handel geschiedt voornamelijk via de zee. De uitvoer van Albanië bestaat voornamelijk uit de natuurlijke rijkdommen en levensmiddelen en de invoer vooral uit machines, andere industrieproducten en consumptiegoederen. De belangrijkste handelspartners zijn Italië, Griekenland, Turkije, Duitsland en China. In de vroege jaren 1990 werd Albanië lid van het Internationaal Monetair Fonds en van de Wereldbank.

Economische cijfers (2013)

Export van Albanië volgens productcategorie (2019)
  • Munteenheid: lek (ALL) (100 qindarka); koers: ALL 1 = EUR 0,0075 (2017)
  • Bruto binnenlands product: US$13,16 miljard (2013)
    • Aandelen per sector: landbouw (17,5%), industrie (15,3%) en diensten (67,2%) (2013)
  • Inflatie: 2% (2013)
  • Beroepsbevolking: 1,129 miljoen (2013)
    • Aandelen per sector: landbouw (47,8%), industrie (23,0%) en diensten (29,2%) (2010)
    • Werkloosheid: 12,9% (2013)
  • Export: $ 1,226 miljard (2013)
  • Import: $ 4,115 miljard (2013)
    • Importpartners: Italië (31,9%), Griekenland (9,5%), China (6,4%), Duitsland (6,0%) en Turkije (5,7%) (2012)

Toerisme

Zie toerisme in Albanië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Sarandë
Ksamil

Door het strenge communistische beleid dat Albanië heeft gekend en dat het land gedurende decennia grotendeels gesloten hield voor buitenlandse bezoekers was het toerisme in Albanië beperkt. Sinds 2019 groeit toerisme naar Albanië echter sterk. In 2024 bezochten 11,7 miljoen toeristen Albanië. De Albanese kustlijn, met in het zuiden Sarandë en de Albanese Rivièra en in het noorden Durrës en Shëngjin, is nog steeds vooral populair bij de Albaneestaligen zelf, maar langzaam maar zeker trekt ze ook westerlingen aan. Andere troeven van Albanië zijn vooral de unieke cultuur en taal, ontstaan door de afwisselende overheersingen die Albanië in zijn woelige geschiedenis heeft gekend, de ongerepte berggebieden in het noorden en zuidoosten, en de bruisende steden, met name Tirana.

Onderwijs en wetenschap

Universiteit van Tirana

Het onderwijs in Albanië wordt grotendeels door de staat gefinancierd. De leerplicht geldt van 6 tot 16 jaar. Het onderwijs bestaat uit drie fasen: het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs en het hoger onderwijs. In Albanië zijn er veertig universiteiten, de meeste zijn openbaar en staan gevestigd in en rond de hoofdstad Tirana.

Verkeer en vervoer

De luchthaven van Tirana

De enige luchthaven in Albanië met lijndiensten is de luchthaven van Tirana, die in 2007 volledig werd vernieuwd. De luchthaven van Kukës is gebouwd en ontwikkeld met financiële steun van de Verenigde Arabische Emiraten om het toerisme in het noorden van het land te bevorderen, maar heeft momenteel geen vaste lijndiensten. In 2018 is de luchtvaartmaatschappij Air Albania opgericht als nationale maatschappij van het land.

Logo van de Albanese spoorwegen

De Albanese spoorwegen zijn circa 677 kilometer lang (1986). Het spoorwegnet verkeert in slechte staat en wordt weinig tot niet gebruikt. Momenteel wordt de spoorlijn van Tirana naar Durrës met een verbinding naar de luchthaven van Tirana herbouwd, en zijn er plannen om het personenverkeer hier opnieuw op te starten. De spoorwegmaatschappij Hekurudha Shqiptare (HSH) is de nationale vervoerder.

Het wegennet meet in totaal circa 18.000 kilometer, waarvan 5400 kilometer is geasfalteerd. Sinds 2006 zijn er drie nieuwe snelwegen in aanleg die oost-west en noord-zuid met elkaar verbinden. De noord-zuid-route is 440 kilometer lang en loopt van Hani i Hotit aan de grens met Montenegro via Gjirokastër tot aan de grens met Griekenland en Sarandë. De oost-west-route begint bij de Griekse grens in Bilisht. De weg voert langs Pogradec vlak bij de Macedonische grens en Elbasan naar Durrës. De totale lengte is 279 kilometer. De route die reeds in gebruik is genomen verbindt Durrës met Kukës en de grensovergang met Kosovo, Qafa e Morinës. De lengte van deze verbinding bedraagt 170 kilometer.

Er zijn verbindingen per veerboot van het Griekse eiland Korfoe naar Sarandë, vanuit Bari (Italië) naar Durrës of vanuit het Italiaanse Brindisi naar Durrës of Vlorë.

Cultuur

Vlag van Albanië

De vlag van Albanië bestaat uit een volledig rood veld met daarop een tweekoppige zwarte adelaar. Het verwijst naar het wapen van het middeleeuwse Albanese adellijk geslacht Kastrioti. De vlag werd in 1444 gebruikt als wapen van de Liga van Lezhë, een militaire alliantie van Albanese vorstendommen tegen het Ottomaanse Rijk.

Vlag van de Liga van Lezhë (1444)

Na de Albanese onafhankelijkheid van het Ottomaanse Rijk in 1912 werd in de stad Vlorë een donkerrode vlag met een zwarte adelaar aangenomen als vlag van de nieuwe Albanese staat. Hierna werd de vlag regelmatig gewijzigd en verschilden de kleur rood en de vorm van de adelaar een aantal keer. De huidige vlag werd op 7 april 1992 aangenomen, en in 2002 werd het donkerrode veld vervangen door een lichtrood veld.

Vlag van het moderne Albanië (2002)

Het rood staat voor moed, kracht en bloed dat is vergoten voor de Albanese etniciteit. De zwarte adelaar verwijst naar de betekenis van het land in eigen taal Shqipëria, wat in het Albanees 'land van de adelaar' betekent.

Volkslied

Sinds de onafhankelijkheid in 1912 is de "Himni i Flamurit" (volkslied van de vlag) het officiële volkslied van Albanië. De tekst werd geschreven door de Albanese dichter Aleksandër Stavre Drenova. De muziek van het volkslied werd gecomponeerd door de Roemeense componist Ciprian Porumbescu.

Identiteit en traditie

De ruime meerderheid (91%) van de bevolking in Albanië is etnisch Albanees. De Albanezen spreken Albanees, een Indo-Europese taal zonder nauwe verwanten. De meeste religieuze Albanezen zijn islamitisch, gevolgd door een aanzienlijke christelijke minderheid. Alhoewel Albanezen doorgaans religie niet beschouwen als onderdeel van hun nationale identiteit en zij zich verenigen door de Albanese etniciteit. Religieuze opvattingen van Albanezen in Albanië en etnische Albanezen buiten Albanië kunnen enigszins verschillen vanwege het communistische regime van de Volksrepubliek Albanië gedurende de late 20e eeuw.

De oorsprong van Albanezen ligt volgens de meeste historici bij de Illyriërs, Thraciërs of Daciërs; volkeren die gedurende de oudheid op de Balkan leefden. Sindsdien volgden er verschillende heerschappijen van buitenlandse beschavingen op wat nu Albanië is; zoals Griekse, Romeinse, Byzantijnse, Bulgaarse, Servische, Venetiaanse en Ottomaanse.

Traditioneel geklede Albanese mannen in Skrapar

In de huidige tijd zijn etnische Albanezen verdeeld over twee stammen: de Gegen en de Tosken. De Gegen zijn inheems in noord- en centraal-Albanië, in gebieden boven het Shkumbinrivier. Fysieke kenmerken van de Gegen die beschrijvingen omvatten onder meer een relatief bovengemiddelde lichaamslengte, een lichte huid en een prominente neus. In antropologische literatuur werden noordelijke Albanezen ingedeeld binnen het zogenoemde Dinarische type. Onder de Shkumbinrivier worden de Toskische Albanezen onderscheiden van de noordelijke Gegen. Bij hen is gemiddeld genomen een wat kleinere lichaamslengte en een sterker gepigmenteerde huid en haarkleur genoemd. Hun uiterlijk wordt als Mediterraan aangeduid.Dergelijke typologieën zijn echter vereenvoudigingen en zeggen weinig over het uiterlijk van individuen.

Hoewel de sociale en culturele verschillen in de moderne tijd grotendeels vervaagd zijn, was het verschil tussen de twee stammen van oudsher de patrilineariteit die onder Gegen nog relatief vaak werd nageleefd (de kanun), in tegenstelling tot de "progressievere" Tosken, mede vanwege de snellere ontwikkelingen van de Toskische nederzettingen.

Beide stammen bekeerden zich tijdens de Ottomaanse heerschappij merendeels tot de islam. De christelijke minderheden verschillen in stroming: de noordelijke Gegen zijn rooms-katholiek en de zuidelijke Tosken oosters-orthodox. Het noorden stond historisch in sterke verbinding met de Latijnse katholieke wereld (later met Venetië), terwijl in het zuiden de (Grieks-)oosters-orthodoxe traditie een belangrijke rol speelde. Sinds 1907 is er een autocefale Albanees-Orthodoxe Kerk.

De traditionele klederdracht van beide stammen verschilt enigszins. Een onderdeel van de klederdracht is bij beide stammen echter wel de "Qeleshe"; een opvallende witte hoed, gemaakt van wol. De hoed heeft bij de Tosken een wat langer en rechthoekige vorm.

Albanese voor- en achternamen

De Albaneestalige voornamen hebben vaak een verwijzing naar de Illyriërs, verder zijn ook islamitische of christelijke voornamen in Albanië gebruikelijk. In Albanië zijn daarnaast, anders dan de Albanese gemeenschappen in bijvoorbeeld Kosovo en Noord-Macedonië; westerse voornamen populair. Dit mede als gevolg van de secularisatie waar Albanezen in Albanië tijdens het communisme mee te maken hadden, maar ook vanwege (de wens van) emigratie onder een groot deel van de bevolking en het veelvoorkomende Pro-Amerikaanse sentiment.

Albanese achternamen eindigen meestal op "-i" of "-aj" en zijn verkleinvormen die duiden op "zoon van" of "afstammeling van". Voorbeelden zijn de achternamen "Dervishi" of "Dervishaj" (zoon/afstammeling van Dervish), "Murati" of "Murataj" (zoon/afstammeling van Murat) en "Simonaj" of "Simoni" (zoon/afstammeling van Simon).

Volkshelden

Standbeeld van Gjergj Kastrioti (Skanderbeg) in de hoofdstad Tirana. Skanderbeg wordt beschouwd als de nationale volksheld van de Albanezen.

De nationale volksheld van Albanië is Gjergj Kastrioti Skanderbeg, naar wie de vlag en het wapen van Albanië verwijzen. Skanderbeg wist medio de 15e eeuw alle Albanese edelen te verenigen en voor het eerst een territoriaal Albanië te stichten. Skanderbeg leidde tussen 1444 en 1468 de Albanese troepen tegen het Ottomaanse Rijk en wist in 25 veldslagen 24 overwinningen te behalen. Ismail Qemali en Isa Boletini worden beschouwt als de grondleggers van het moderne Albanië dat in 1912 onafhankelijk werd van het Ottomaanse Rijk.

De meeste historische Albanese figuren worden geëerd en belicht in de vele musea en bezienswaardigheden in Albanië. Het nationale museum staat in de hoofdstad Tirana.

Historische personen van etnisch Albanese afkomst waren onder andere de katholieke zuster Moeder Teresa, geboren als Anjezë Gonxha Bojaxhiu. Ze won in 1979 de Nobelprijs voor de Vrede en werd in 2016 heilig verklaard, paus Clemens XI, van 1700 tot 1721 de paus van de Rooms-Katholieke Kerk en Mohammed Ali van Egypte, een Ottomaanse politicus die het moderne Egypte stichtte.

Albanese keuken

Traditioneel Albanees eten geserveerd in Krujë

De Albanese keuken is een rijke en gevarieerde traditie die elementen uit zowel de mediterrane als de Balkan-keukens combineert. Deze keuken heeft zich door de eeuwen heen ontwikkeld door de invloeden van verschillende culturen en beschavingen, zoals de Grieken, Romeinen en Ottomanen. De basisprincipes van de Albanese keuken zijn het gebruik van verse, seizoensgebonden ingrediënten met veel nadruk op groenten, fruit, olijfolie en vis (vooral langs de kust). Vleesgerechten, zoals lamsvlees en varkensvlees, spelen ook een belangrijke rol en worden vaak bereid met lokale kruiden en specerijen.

Typische gerechten in Albanië zijn onder andere fërgesë, een stoofpot van paprika, tomaten, uien en kaas; tavë kosi, een ovenschotel met lamsvlees, rijst en yoghurt; en byrek, een hartige taart gevuld met spinazie, feta en uien. Een andere variant is de byrek met rundvlees en uien. Ook het beroemde dessert baklava, gemaakt van deeg, noten en honing, is een voorbeeld van de invloed van de Ottomaanse overheersing op de Albanese keuken.

De eetgewoonten in Albanië variëren afhankelijk van de regio. Het ontbijt is meestal simpel en licht, met brood, boter, kaas, jam en yoghurt. Dit wordt vaak geserveerd met een kop thee of koffie. De lunch is de belangrijkste maaltijd van de dag, en kan bestaan uit vleesgerechten, verse salades en andere traditionele gerechten. Het avondeten is meestal lichter en bestaat vaak uit sandwiches of verschillende kleine hapjes afhankelijk van de seizoensgebonden ingrediënten die beschikbaar zijn.

Gastvrijheid speelt een belangrijke rol in de Albanese cultuur en het is gebruikelijk om gasten uit te nodigen voor de lunch. Dit is een moment waarop families en vrienden samenkomen en genieten van de maaltijd. In Albanië wordt gastvrijheid als een grote deugd beschouwd. Daarnaast is het gebruikelijk om een bezoeker te verwelkomen met een maaltijd, soms zelfs zonder dat deze van tevoren wordt aangekondigd.

Hoewel veel Albanezen de islam aanhangen, is het gebruikelijk om alcohol te drinken tijdens maaltijden. Dit komt doordat Albanië ondanks de islamitische meerderheid, een diverse culturele geschiedenis heeft waarin verschillende religies en gewoonten samenkwamen. Wijnproductie heeft een lange traditie in Albanië. Naast wijn wordt raki, een sterke brandewijn, vaak geserveerd als teken van gastvrijheid.

Architectuur

De wijk Mangalem in Berat

De architectuur van Albanië weerspiegelt de gevolgen van verschillende beschavingen die teruggaan tot de klassieke oudheid, maar is hoofdzakelijk terug te voeren naar de Byzantijnse en Ottomaanse invloeden.

Medio de 20e eeuw werden de meeste historische, vooral religieuze, gebouwen tijdens het communistische regime gesloopt toen Enver Hoxha van Albanië een atheïstische staat maakte. In Zuid-Albanië is echter nog veel van deze architectuur terug te zien, net als de (restanten van de) middeleeuwse kastelen. In Albanië staan overgebleven of nieuwgebouwde kerken en moskeeën vaak naast elkaar vanwege de religieuze tolerantie van de bevolking.

Flatgebouwen in Durrës

Tijdens het communisme werden veel flatgebouwen gebouwd met als doel een uniforme uitstraling te geven in de grote steden. Vanaf 2000 begon de kunstenaar en de toenmalige burgemeester van de hoofdstad Tirana, Edi Rama (later premier), de 'grauwe' stad levendige kleuren te geven. Dit moedigde andere grote steden aan, waarna de steden inmiddels gekenmerkt worden door felle kleuren en een speelse architectuur. Sinds de groei van de Albanese economie ervaren de gebieden rond Tirana en Durrës een relatief snelle stedelijke transformatie. In het centrum van Tirana staat enkele hoogbouw, zoals het "ABA Business Center", het "ETC European Trade Center", de "Twin Towers" en de "TID Tower". In het centrum staat sinds 2019 de Arena Kombëtare; een multifunctioneel stadion waar het nationale voetbalelftal zijn thuiswedstrijden speelt.

Tirana wordt tevens gekenmerkt door de vele bouwwerken, welke onderdeel zijn van het plan om de stad nog meer te moderniseren.

Centrum van Tirana

Literatuur en kunst

De Albanese priester Gjon Buzuku is de auteur van het eerste gedrukte boek in de Albanese taal (1555). Het verfijnde niveau van taal en spelling in dit boek ("Meshari") zouden het resultaat zijn van een nog ouder variant geschreven in het Albanees. Tot de belangrijkste dichters van de Albanese literatuur behoren verder onder andere Gjergj Fishta, Luigj Gurakuqi, Naim Frashëri, Theofan Noli en Ismail Kadare.

Borstbeeld van Gjon Buzuku

Kolë Idromeno wordt beschouwd als de eerste Albanese kunstenaar die zich wijdde aan realistische schilderkunst. Enkele andere vooraanstaande Albanese kunstenaren zijn Vangjush Mio, Sadik Kaceli en Ibrahim Kodra.

Muziek

Albanese volksmuziek is een belangrijk onderdeel van de nationale identiteit. Volksmuziek kan echter wel verschillen per gebied, in het noorden van Albanië leven de Gegen en in het zuiden de Tosken. Vaak is de boodschap wel hetzelfde en gaat het vooral over de nationale trots en het verenigen van een etnisch Albanië.

De muziekgenres Pop en R&B zijn populair in Albanië. Bekende artiesten in Albanië zijn onder andere Noizy, Mozzik, Don Xhoni, Butrint Imeri, Elvana Gjata, Bleona Qereti, Tayna en Dafina Zeqiri. Bekende internationale artiesten van Albanese afkomst zijn Dua Lipa, Ava Max, Rita Ora, Era Istrefi en Bebe Rexha.

Film

De filmindustrie in Albanië is actief sinds 1897 een kende vanaf halverwege de 20e eeuw progressie. Sinds 1952 produceert het QKK (Qendra Kombëtare e Kinematografisë) de belangrijkste Albanese films. Sinds 2003 vindt in Tirana het "Tirana International Film Festival" plaats.

Bekende internationale acteurs van Albanese afkomst zijn John Belushi, Jim Belushi, Enver Gjokaj, Eliza Dushku, Arta Dobroshi en Masiela Lusha.

Media en televisie

De Radio Televizioni Shqiptar (RTSH) is de publieke omroep van Albanië die de belangrijkste televisie- en radioprogramma's produceert. Andere populaire omroepen zijn Top Channel, Televizioni Klan en Vizion Plus. De zenders richten zich naast de Albanezen in Albanië ook op de etnische Albanezen in de omringende landen.

Feestdagen

De nationale feestdag in Albanië is 28 november. Het land viert op die datum de onafhankelijkheid ten opzichte van het Ottomaanse Rijk.

Albanezen vieren het 100-jarig bestaan van Albanië (2012)

Ondanks de islamitische meerderheid worden kerst en oud en nieuw in Albanië gevierd. Vooral op oudjaarsavond komen families, ongeacht religie, in Albanië bijelkaar.

Albanië kent verder de volgende nationale feestdagen: "Zomerdag" (Dita e Veres; op 14 maart), "Dag van de Arbeid" (Një Maji; op 1 mei) en "Dag van Moeder Teresa" (Dita e Nënë Terezës; op 19 oktober).

Noroez (22 maart) is voor de moslims ook een nationale feestdag. Andere religieuze, zowel islamitische als christelijke, feestdagen zijn gerelateerd aan de maandkalender en veranderen van datum.

Sport

De populairste sport in Albanië is voetbal. De Albanese voetbalbond werd in 1930 opgericht. Het nationale elftal kwalificeerde zich tot op heden voor twee eindtoernooien, het EK 2016 in Frankrijk en het EK 2024 in Duitsland. De hoogste voetbalcompetitie in Albanië is de Kategoria Superiore. KF Tirana is met 26 landstitels de succesvolste club gevolgd door FC Dinamo City (18 landstitels) en Partizan Tirana (17 landstitels). Vllaznia Shkodër, opgericht in 1919, is de oudste voetbalclub van het land.

Albanees voetbalelftal (2016)

De clubs die Albanië in UEFA-hoofdtoernooien hebben vertegenwoordigd zijn KF Tirana (Europacup I en Europacup II), Partizan Tirana (Europacup I, Europacup II en UEFA Cup), Flamurtari Vlorë (UEFA Cup) en Vllaznia Shkodër (Europacup II).

Sinds de opzet van de huidige toernooien, de UEFA Champions League, UEFA Europa League en UEFA Conference League, was Skënderbeu Korçë de eerste voetbalclub uit Albanië die deelnam aan een groepsfase. Het speelde in het seizoen 2015/16 en 2017/18 in de groepsfase van de UEFA Europa League. In het seizoen 2026/2027 kwalificeerde KF Egnatia zich voor de competitiefase van de UEFA Conference League.

Naast voetbal is volleybal een populaire sport in Albanië. Doorgaans wordt het vooral door vrouwen beoefend. Het vrouwenteam van Dinamo Tirana behaalde in 1980 en in 1990 de derde plaats van de CEV Champions League.

Sinds 1972 doet Albanië mee aan de Olympische Spelen. In 2006 kwam het voor het eerst uit op de Winterspelen. Albanië won tot op heden twee keer brons, beide keren op de Olympische Zomerspelen van 2024.

Op 25 mei 2022 organiseerde Albanië haar grootste sportevenement als eerste gastland van de UEFA Europa Conference League-finale, gespeeld in het Air Albania Stadion, Tirana. In 2027 zal het stadion ook decor zijn van de finale van het Europees kampioenschap voetbal onder 21. De UEFA wees Albanië en Servië aan als gastlanden van dit toernooi.

Literatuur

Div. auteurs: Albanië. Van dictatuur tot democratie. Gompel & Svacina, 2025. ISBN 9789463715676

Commons heeft media­bestanden in de categorie Albanië.