
Antifascisme (ook wel afgekort tot antifa) is een veelvormige beweging die zich verzet tegen alle vormen van extreemrechts, en dan met name tegen het fascisme, neofascisme, nationaalsocialisme (nazisme) en neonazisme.
Antifascisten komen breed uit de maatschappij voort en organiseren onder meer demonstraties en tegendemonstraties bij extreemrechtse betogingen, demonstraties, samenscholingen en bijeenkomsten. Antifascisten zijn niet per se tegen geweld, want ze zien dat als een noodzakelijk middel bij de verdediging tegen extreemrechts.

Het Belgische antifascisme heeft zijn wortels in de politiek van de jaren 1930. België ving politieke vluchtelingen uit Italië en nazi-Duitsland op en de solidariteit met de Republikeinen ten tijde van de Spaanse Burgeroorlog was een bepalende ervaring voor veel Belgen. Het antifascisme werd breed gedeeld, zowel binnen de Kommunistische Partij (KP) als de Belgische Werkliedenpartij. Politieke krachten als de extreemrechtse Rex, Dinaso en Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) kregen daardoor moeilijker voet aan grond dan gelijkaardige groeperingen in Italië of Duitsland. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam de beweging echter in crisis, onder meer omdat de KP haar politieke lijn bijstuurde na het niet-aanvalspact tussen nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie en meer de nadruk ging leggen op het veroordelen van het imperialisme van kapitalistische landen. Tijdens de oorlog namen antifascisten volop deel aan het verzet. Na de Tweede Wereldoorlog is het verzet, met zijn antifascistische strijd, vooral in Vlaanderen afgezwakt bij delen van de katholieke meerderheid, die omwille van de taalstrijd de collaboratie met de bezetter steunde.
In 1974 werd in Antwerpen het Anti-Fascistisch Front opgericht. In 1983 werd het Steunpunt Antifascisme opgericht, bekend van de rode driehoek als symbool van de antifascistische strijd. De rode driehoek werd door de nazi's als merkteken voor politieke gevangenen gebruikt in concentratiekampen. Begin de jaren 2000 documenteerde Blokwatch extreemrechts in Vlaanderen. De radicaal-linkse politieke partijen PVDA en LSP (oprichter van Blokbuster) kennen een rijke traditie aan antifascisme. Onder meer PVDA en Groen roepen op om van 8 mei, de dag waarop nazi-Duitsland werd verslagen, een feestdag te maken.

In de Bondsrepubliek Duitsland is het antifascisme nauw verbonden geweest met de partijen Kommunistische Partei Deutschlands (KPD) en Sozialistische Einheitspartei Deutschlands (SED). In 1932 ontstond vanuit de KPD de Anti-Faschistische Aktion, waarin KPD-voorman Ernst Thälmann leidend was. In die tijd werd de sociaaldemocratische Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD) door de KPD beschouwd als de linkervleugel van het fascisme.[bron?] Na de Machtergreifung door Adolf Hitler werd de term antifascisme voornamelijk gebruikt door communisten. Na de Reichstagbrand grepen de nazi's deze gelegenheid aan om politieke tegenstanders van het extreemrechtse fascisme op te pakken. Ook al hadden de nazi's tijdens de verkiezingen in 1933 geen meerderheid behaald, toch grepen zij alle macht en zetten de parlementaire democratie terzijde. Socialisten en communisten verdwenen als eersten in de concentratiekampen. Ernst Thälmann bijvoorbeeld kwam in 1934 in het kamp Buchenwald terecht waar hij in 1944 stierf.
Na de nederlaag van nazi-Duitsland in de Tweede Wereldoorlog kwam het oosten van Duitsland in de invloedssfeer terecht van de Sovjet-unie, terwijl het westen geleidelijk onder Amerikaanse invloed kwam. In de Sovjetzone in Duitsland (de latere DDR) werden onder toezicht van het Sovjetbestuur verscheidene politieke partijen opgericht, die op initiatief van de communisten samenwerkten in het antifascistische blok. De term antifascistisch werd in de DDR zeer vaak gebruikt, met name ter ideologische afbakening van het naziverleden en dat van de Bondsrepubliek (waar af en toe voormalige nazi's zoals Richard Jaeger in het kabinet terechtkwamen). Ook werd de Berlijnse Muur "der Antifaschistische Schutzwall" genoemd en werd het antifascisme in het voorwoord van de DDR-grondwet van 1968 genoemd. In de Volkskamer van de DDR waren ook zetels gereserveerd voor de Vereinigung der Verfolgten des Naziregimes - Bund der Antifaschisten. Dit betrof mensen die tijdens het nazi-tijdperk vervolgd waren, bijvoorbeeld doordat zij in concentratiekampen hadden gezeten.
Na de Tweede Wereldoorlog verdwenen mensen met nazi-sympathieën grotendeels ondergronds. In 1968 werd de antifascistische vereniging AFVN/Bond van Antifascisten opgericht door communistische verzetsleden uit de Tweede Wereldoorlog, die vooral actie voert tegen fascistische en extreemrechtse invloeden in het openbare leven, zoals nazibeurzen, en meewerkt aan herdenkingen zoals van de Februaristaking. Vanaf de jaren 1970 begonnen ze zich meer te roeren in het openbare leven. Zo sprak Joop Glimmerveen zich racistisch uit en kreeg hij steun van de in 1971 opgerichte NVU. Indertijd was het vooral de CPN van waaruit een tegengeluid ontstond. Een decennium later ging de krakersbeweging zich ermee bemoeien. Zo verstoorden antifascistische krakers bijeenkomsten van de Centrumpartij van Hans Janmaat. Bij de aanslag in Kedichem ging een hotel in vlammen op door toedoen van de antifascisten. Willem Wagenaar van de Anne Frank Stichting werd voor deze verstoring veroordeeld. In een brand die nadien ontstond, raakte Wil Schuurman gewond, doordat ze bij het afdalen vanuit een open raam viel. Ten tijde van de krakerstijd werd de Antifascistische Onderzoeksgroep Kafka opgericht.
In de jaren 1990 werden de antifascisten weer actief en ontstond de behoefte aan een zekere vorm van organisatie. Dit resulteerde in de oprichting van het samenwerkingsverband Anti-Fascistische Aktie (AFA).
De FvD-voorman Thierry Baudet werd tijdens een verkiezingsbijenkomst op 20 november 2023 met een bierfles geraakt door een tiener die bij de groep ‘AFA Noord’ hoorde. Op 18 september 2025 besprak de Tweede Kamer een motie van de extreemrechtse partij FvD met de opdracht aan het kabinet om 'Antifa' als een terroristische organisatie aan te merken. Terrorismekenners en juristen reageerden hierop en stelden dat de motie onuitvoerbwaar was omdat Antifa geen organisatie is en er ook geen concrete terroristische bedreiging uitgaat van de beweging.

In de Verenigde Staten zijn er verscheidene antifascistische groepen aanwezig, zoals Rose City Antifa in Portland, Oregon degeen deel uitmaakt van het Torch Network (een voortzetting van Anti-Racist Action).
In 2021 was Donald Trump betrokken bij een rechtsextremistische poging tot staatsgreep. Hij bestempelde in 2025 'Antifa' als een terroristische organisatie. Dit ondanks het kritiek dat antifascisme geen individuele groep op zich is, waardoor het verbieden ervan praktisch gezien alleen symbolische waarde heeft.
Dit feit werd eerder al ondersteund door het Department of Homeland Security en de FBI. Ook Joe Biden, die in de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2020 tot president verkozen werd, ging hierin mee. Zo stelde hij tijdens het eerste presidentiële debat op 29 september dat het antifa(scisme) een idee is, geen organisatie. Dit was in navolging van FBI-directeur Christopher Wray, die dit tijdens een hoorzitting in september 2020 verklaarde.
Bij de nodige demonstraties van antifa duikt het zogenaamde "Blac Block" (zwarte blok) op. Dit is een groep in het zwart geklede activisten die meer tot actie bereid zijn dan anderen. Het zwarte blok wordt doorgaans door tegenstanders van antifa aangevoerd als bewijs dat de beweging uit terroristen bestaan.