Bruine zeekorst

Bruine zeekorst
Taxonomische indeling
Rijk:Fungi (Schimmels)
Stam:Ascomycota
Klasse:Arthoniomycetes
Orde:Arthoniales
Familie:Arthoniaceae
Geslacht:Arthonia
Soort
Arthonia phaeobaea
(Norman) Norman (1869)
Bruine zeekorst op Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schimmels

De bruine zeekorst (Arthonia phaeobaea) is een korstmos uit de familie Arthoniaceae. De soort groeit op harde, silicaathoudende gesteenten langs zeekusten. Het korstvormige thallus is bruin tot bruingrijs, soms met een zwakke paarse tint, en bevat talrijke kleine zwarte pycnidiën. De soort leeft in symbiose met een groenwier van het chlorococcoïde type.

Kenmerken

Uiterlijke kenmerken

Het thallus is dun, doorgaans niet meer dan 0,1 mm dik, glad of enigszins gebarsten en vormt meestal duidelijk begrensde plekken zonder donkere randlijn. De kleur varieert van bruin en bruingrijs tot grijzig, soms met een zwakke mauve of paarse tint.

De apotheciën zijn klein, ongeveer 0,16–0,30 mm in diameter, rond tot enigszins langwerpig en vlak tot licht bolvormig. Ze zijn donkerbruin tot zwart en liggen verspreid over het thallus. De talrijke pycnidiën zijn zwart, ingezonken en puntvormig, met een diameter van ongeveer 40–80 µm. Vooral bij exemplaren zonder apotheciën vormen deze kleine zwarte puntjes een belangrijk herkenningskenmerk.

Microscopische kenmerken

De ascosporen zijn kleurloos, min of meer cilindrisch en meten 17–30 × 5–7 µm. Ze hebben drie tot vijf dwarssepten en zijn vaak enigszins ingesnoerd bij het middelste septum. De bovenste helft is doorgaans iets breder dan de onderste. De buitenste sporenwand (epispore) is meestal duidelijk ontwikkeld en kan in KOH ongeveer 2 µm dik zijn.

Het hymenium is kleurloos en 35–50 µm hoog. Het epithecium is donker roodbruin en het hypothecium is kleurloos tot licht strobruin, met een hoogte van 48–85 µm. De parafysoïden zijn ongeveer 1–1,5 µm dik en hebben bruinig gepigmenteerde toppen. De conidiën zijn cilindrisch en meten 4–5,5 × 1,5–2 µm.

Chemische reacties

Het epithecium en hypothecium reageren niet met kaliumhydroxide (K−). Bij onderzoek met dunnelaagchromatografie (TLC) zijn geen specifieke korstmosstoffen aangetoond.

Ecologie

De bruine zeekorst groeit op harde, silicaathoudende kustgesteenten, waaronder graniet en basalt. De soort komt vooral voor in de vochtige supralitorale zone, boven de zone die regelmatig door zeewater wordt overspoeld. In deze omgeving staat het korstmos onder invloed van zoute zeelucht en opspattend zeewater.

In Nederland is de soort onder meer aangetroffen op basaltblokken van zeedijken. Volgens de NDFF Verspreidingsatlas behoort de bruine zeekorst tot de korstmossenvegetaties van de klasse Hydropunctarietea maurae.

Verspreiding

De bruine zeekorst heeft een verspreiding die nauw samenhangt met rotskusten. De soort is bekend uit Noord- en West-Europa en Noord-Amerika. In Groot-Brittannië en Ierland komt hij vooral langs de noordelijke en westelijke rotskusten voor.

In 2024 werd de soort voor het eerst gerapporteerd uit Azië en Rusland, op basis van vondsten op het eiland Sachalin in het Russische Verre Oosten. Daar groeide hij op silicaathoudende rotsen en keien langs de zeekust.

Nederland

In Nederland is de bruine zeekorst zeer zeldzaam. Hij is onder andere bekend van basaltgesteente langs Zeeuwse zeedijken, waaronder locaties bij Wissenkerke en Breskens. De soort staat op de Nederlandse Rode Lijst van korstmossen in de categorie 'Bedreigd'.

Gelijkende soorten

De bruine zeekorst kan worden verward met andere donkere, korstvormige soorten uit het geslacht Arthonia. Een belangrijke onderscheidende combinatie is het bruine tot paarsachtig getinte thallus met talrijke zwarte pycnidiën en de relatief grote, drie- tot vijfmaal gesepteerde ascosporen.

Het kiezelvlekje (Arthonia fusca) heeft eveneens donkere apotheciën, maar groeit vooral op kalkhoudend gesteente en mortel. De ascosporen van deze soort hebben slechts één dwarsseptum en meten doorgaans 11–15 × 4–7 µm.

Taxonomie

De soort werd in 1868 door de Noorse lichenoloog Johannes Musaeus Norman oorspronkelijk beschreven als Segestrella phaeobaea. In 1869 bracht Norman de soort onder in het geslacht Arthonia, waardoor de combinatie Arthonia phaeobaea ontstond.

Andere wetenschappelijke namen die voor deze soort zijn gebruikt, zijn Arthonia paralia Nyl. en Allarthonia phaeobaea (Norman) Zahlbr. De naam Arthonia phaeobaea wordt gebruikt door de Nederlandse Verspreidingsatlas en de British Lichen Society, terwijl Species Fungorum Allarthonia phaeobaea als huidige naam vermeldt.

Bronnen

  1. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 (en) Cannon, P.; Ertz, D.; Frisch, A.; Aptroot, A.; Chambers, S.; Coppins, B.; Sanderson, N.; Simkin, J.; Wolseley, P. (2020). Arthoniales: Arthoniaceae. Revisions of British and Irish Lichens 1: 3–48. DOI:10.34885/173.4.
  2. 1 2 3 4 Arthonia phaeobaea – Bruine zeekorst. NDFF Verspreidingsatlas.
  3. 1 2 3 (en) Yakovchenko, L.S.; Davydov, E.A. (2024). Arthonia phaeobaea (Arthoniaceae, Ascomycota) new to Asia and Russia from the Sakhalin Region. Novosti sistematiki nizshikh rastenii 58 (1): L55–L60. DOI:10.31111/nsnr/2024.58.1.L55.
  4. ↑ (en) Giavarini, V.J., Arthonia phaeobaea (Norman) Norman. LichenIreland (2016).
  5. 1 2 (en) Arthonia phaeobaea (Norman) Norman. Species Fungorum. Royal Botanic Gardens, Kew.
  6. ↑ (en) Arthonia phaeobaea. British Lichen Society.