
De Arumer Zwarte Hoop (Fries: Swarte Heap) was het Friese rebellenleger dat door Pier Gerlofs Donia (bijnaam Grutte Pier, Grote Pier) in Wonseradeel in 1516 werd gevormd om zich te verzetten tegen de Habsburgers en de Saksen. De Arumer Zwarte Hoop moet niet worden verward met het beruchte huurleger in vorstelijke dienst, dat bekend stond als Zwarte Hoop of Schwarze Garde.
De Arumer Zwarte Hoop had de bijnaam 'de Gelderse Friezen' omdat ze deelnamen aan een Gelderse militaire operatie tegen Holland. Ze werden ook wel de verbrande Fresen genoemd, omdat zij zichzelf als slachtoffer beschouwden van de brandschattingen door de (Saksische) Zwarte Hoop. Na het ineenstorten van het Saksische bewind in 1515 trad deze Zwarte Hoop echter in dienst van de hertog van Gelre en werden de huursoldaten bondgenoten van de Friese rebellen. De geuzennaam Arummer Swarte hoep is ontleend aan de geschriften van kroniekschrijver Peter van Thabor.
De benaming 'hoop' werd in die tijd vaak gebezigd zowel voor eenheden van huurlingenlegers als van boerenlegers, soms met een sterkte van enkele duizend man. Veel leden van de Arumer Zwarte Hoop waren verarmde edelen, boeren en buitenlui. Op zee gingen ze vaak in de piraterij, maar ook op het land hebben de rebellen van zich laten horen, met name bij het Beleg van Medemblik (1517), waar de Friezen met beroepssoldaten samenwerkten. Hoewel zij de stad uiteindelijk door het optreden van slotvoogd Joost van Buren niet konden innemen, brachten ze Medemblik wel grote schade toe.
In 1520 stierf Grutte Pier en nam Wijerd Jelckama het bevel van de Arumer Zwarte Hoop over. Deze bestond tot 1523 toen ze definitief werden verslagen en de overgebleven leiders (waaronder Jelckama) te Leeuwarden werden onthoofd.
Op het hoogtepunt van haar macht en omvang zou de Arumer Zwarte Hoop vierduizend leden geteld hebben. Tijdens de grootste zeeslag veroverde zij volgens Peter van Thabor 28 schepen. Ook wordt beweerd dat daarbij 500 bemanningsleden overboord werden gezet.[bron?]