| Astrapotherium Status: Uitgestorven Fossiel voorkomen: Laat-Oligoceen tot Midden-Mioceen | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Geslacht | ||||||||||||||
| Astrapotherium Burmeister, 1879 | ||||||||||||||
| Schedel van Astrapotherium in het Museo Paleontológico Egidio Feruglio | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
Astrapotherium is een geslacht van uitgestorven zoogdieren die leefden van het Laat-Oligoceen tot het Midden-Mioceen.
Richard Owen benoemde in 1853 de typesoort Nesodon magnus, de "grote". Hermann Burmeister benoemde in 1879 een apart geslacht Astrapotherium, het "bliksembeest" genoemd naar analogie met Brontotherium, het "donderbeest".
Deze dieren hadden een langwerpig, laag lichaam met een normale hals, zodat de korte kop de grond gemakkelijk kon bereiken. Deze kop had een door luchtholten gevormde welving over het voorhoofd. De rug en de poten waren te zwak gebouwd voor een leven op het land. Zowel de achterpoten en de voeten van deze zoolganger waren erg klein. Derhalve werd verondersteld, dat dit dier het grootste gedeelte van zijn tijd in het ondiepe water doorbracht. Latere berekeningen toonden aan dat de voorpoten sterk genoeg waren het gewicht op land te dragen, zeker als het gewicht niet te overdreven hoog wordt ingeschat op zo'n anderhalve ton bij een lengte van een kleine drie meter.
De levenslang doorgroeiende hoektanden vormden vier slagtanden, waarvan het grootste bovenste paar rustte tegen het onderste paar. De onderkaak was bezet met brede, naar voren staande snijtanden, die waarschijnlijk tegen een hoornig kussen in de bovenkaak drukten.
Of deze dieren een slurf hadden is niet geheel duidelijk. Ze hadden in elk geval korte neusbeenderen en neusgaten boven op de schedel, zodat de aanwezigheid van een slurf mogelijk was, maar van de andere kant vraagt men zich af of de aanwezigheid van een slurf wel noodzakelijk was.
Dit dier leidde een aquatisch leven in ondiepe wateren, waarin het op zoek ging naar voedsel zoals waterplanten.
Resten van dit dier werden gevonden in Argentinië, onder meer in de Sarmiento-formatie in Chubut.