Autofictie is een literair genre in het grensgebied tussen feit en fictie.
In autofictie gebruikt de auteur het eigen leven als grondstof. Het genre zit op de grens van een autobiografie en een roman. Het verschilt van een autobiografie, doordat er sprake is van een zekere mate van fictionalisering. Vaak gebruikt de auteur de eigen naam en wordt er verwezen naar mensen en situaties, die in werkelijkheid bestaan of bestaan hebben. Het genre heeft parallellen met faction, een term die door Truman Capote is bedacht om zijn verhalende non-fictieboek In Cold Blood (1966) te beschrijven.
De Franse schrijver en literatuurcriticus Serge Doubrovsky bedacht de term autofictie in 1977 met betrekking tot zijn eigen roman Fils. Doubrovsky creëerde het genre ter verfijning van het volgens hem beperkende genre autobiografie, dat teveel met non-fictie wordt geassocieerd. Autofictie bestond echter waarschijnlijk al lang als een praktijk met oude wortels, voordat Doubrovsky de term bedacht. I Love Dick (1997) van de Amerikaans/Nieuw-Zeelandse schrijfster Chris Kraus wordt beschouwd als een van de vroege baanbrekende werken die de vorm van autofictie populair maakten.
Wereldwijd wordt Annie Ernaux gezien als een van de pioniers van het genre. Volgens het dagblad NRC werd autofictie met de toekenning van de Nobelprijs voor Literatuur aan Annie Ernaux definitief literatuur. Het genre is wereldwijd maar zeker ook in Nederland namelijk niet onomstreden. Schrijvers die van het genre gebruik maakten, werd vaak navelstaarderij verweten. Daarnaast werd autofictie vaak gezien als te alledaags voor de literatuur.
Bekende auteurs van wie (een deel van) het werk voldoet aan de definitie van autofictie:
Dit artikel of een eerdere versie ervan is een (gedeeltelijke) vertaling van het artikel Autofiction op de Engelstalige Wikipedia, dat onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie de bewerkingsgeschiedenis aldaar.