

Het Beekbergerwoud is een voormalig broekbos in de Nederlandse provincie Gelderland, gelegen tussen Apeldoorn en het dorp Klarenbeek. Het werd in 1871 ontgonnen en geldt als het laatste Nederlandse oerbos. De Vereniging Natuurmonumenten poogt het woud door natuurontwikkeling nieuw leven in te blazen, onder andere door het aankopen van gronden en het laten ontstaan van nieuw moerasbos in het weidegebied ten westen van snelweg A50. Ten noorden van deze 'nieuwe natuur' ligt het landbouwgebied Beekbergsebroek dat voor de ontginning tot het woud gerekend werd.
Na een ijstijd die vrijwel onafgebroken 120.000 jaar lang duurde, begon rond 9200 voor Christus in Europa een nieuw tijdvak, het Holoceen. In het gehele Holoceen, dat tot op heden voortduurt, was het klimaat opnieuw voldoende vochtig en warm voor de groei van een weelderig plantendek. De voorwaarden voor de ontwikkeling van moerassige bossen waren op veel plaatsen aanwezig.
Een van die bossen was het Beekbergerwoud, plaatselijk ook wel 'Het Woud' of 'Het Elsbos' genoemd, dat zich 8.000 jaar geleden aan de oostflank van het Veluwemassief in de IJsselvallei ontwikkelde. Het woud bestond, behalve uit verspreide eiken en beuken op zandige horsten, vooral uit vochtige tot zeer natte op een tot twee meter dikke veenlaag groeiende moerasbossen. Hier domineerden de soms eeuwenlang als hakhout geëxploiteerde zeer brede zwarte elzen- en essenstobbes. In de negentiende eeuw was het woud meer dan een kilometer breed en twee kilometer lang. Door begrazing konden in de middeleeuwen aan de randen van het bos, en vooral ten noorden ervan, vochtige heidevelden en de hooilanden ontstaan. Ook werden in het bos onder toeziend oog van 'koewachters' runderen geweid op de plaatsen die bereikbaar waren via zogenoemde koepaden. Verder waren er kolenbranders actief die hun meilers bouwden met hout van het woud. Houtskool van elzenhout was gewild voor het maken van buskruit. Behalve brand- en geriefhout leverde het gebied ook turf voor de bevolking uit de omtrek.
Het Beekbergerwoud bleef heel lang uit de greep van de menselijke ontginningsdrang. In 1836 ontdekte de landbouwkundige J. Wttewaall dat het een restant oerwoud was waar nog steeds veel zeldzame planten groeiden. Het bos was eigenlijk alleen in een vorstperiode goed toegankelijk. De elzen werden dan ter hoogte van het ijs gekapt, waardoor de buitenste zone bestond uit elzenhakhout met stobben van zo'n 80 cm hoog. Op de horsten konden eeuwenoude eiken zich goed handhaven. Onder de veenlaag waarop het bos groeide, lag een laag ondoorlaatbaar leem. Hemelwater en kwel verzamelde zich in dit laaggelegen gebied, om ten slotte weer afgevoerd te worden door twee beken die hier ontsprongen.
Tussen 1869 en 1871 werd dit 'oerwoud' ontgonnen, omdat landbouwgrond in de omgeving schaars was en dus veel geld opleverde. Het Beekbergerwoud werd eerst drooggelegd door rondom het gebied afwateringssloten aan te leggen en midden door het woud een weg aan te leggen. Vervolgens kapte men de bomen en rooide het bos. Na het graven van greppels en sloten voor de ontwatering en de egalisatie van de oneffen bodem, was in 1871 de ontginning tot weiland vrijwel voltooid. Een ecologisch document dat toen al door plantkundigen werd geroemd en in later tijd als van onschatbare waarde werd beschouwd, was daarmee definitief verloren gegaan.
Het Beekbergerwoud staat bekend als het laatste oerbos van Nederland. Of dat terecht is, is de vraag. In de eeuwen voorafgaand aan de ondergang, werd er steeds wel door de mens in het bos ingegrepen. Maar nog tot vlak voor het einde staken de sporadische bezoekende kenners de loftrompet over de floristische rijkdom die er te vinden was. Die rijke plantengroei was te danken aan de kwaliteit van het kwelwater, de gevarieerde samenstelling van de bodem met de drogere voedselarme horsten en het moerassige voedselrijke veen. Ook de van de randen naar de kern van het woud toe steeds geringer wordende menselijke activiteiten hadden er een positieve invloed op.
Het oostelijke massief van de Veluwe is ontstaan tijdens de voorlaatste ijstijd. Een gigantische ijslob schoof toen, komend uit oostelijke richting, pal op de Veluwe aan. Onder het over de bodem schurende ijs vormde zich keileem; een laag van dit materiaal bevindt zich op 70 meter diepte. Boven de keileem heeft zich een relatief veel dikkere afzettingslaag gevormd: de glaciofluviale dalopvulling. Deze bestaat voornamelijk uit klei en kwam tot stand door het transport en het afsmelten van het ijs.
In de warme periode van het Eemien - het voorlaatste interglaciaal - werden daarop grove rivierzanden afgezet. In de daarop volgende ijstijd (de laatste), het Weichselien, was de grond permanent bevroren; er ontstonden door uitspoeling brede erosiedalen. Het vrijgekomen materiaal, grindhoudend en lemig zand, werd afgezet in zogenaamde daluitspoelingswaaiers. Een dik pakket hiervan wordt gevonden in het zuidwestelijk deel van het voormalige woud, op de geringe diepte van veertig centimeter beneden het maaiveld. Op al deze lagen werden tijdens droge perioden nog dekzanden afgezet.
Op de Veluwe zakt het regenwater direct in de zandgrond weg. Een deel van het water stroomt zijdelings af naar de randen van het massief. Daar treedt het als kwelwater aan de oppervlakte. Onder andere was dat het geval in het Beekbergerwoud. Gedurende het Holoceen kon op de plaats van het woud een ongestoorde bodemopbouw plaatsvinden. Nog steeds onderscheidt men: moerige eerdgronden, beekeerdgronden, gooreerdgronden, veldpodzolgronden en laarpodzolgronden. De bodem werd echter grondig verstoord door de ontginning van het woud in de periode 1869-1871; het terrein werd geëgaliseerd en ontwaterd. Ook door de toegepaste bemesting is de basis voor een oorspronkelijk natuurkwaliteit in het recente verleden ernstig aangetast. De vrij zeldzame kwelsituatie bleef echter bestaan.

Het gebied waar ooit het Beekbergerwoud stond ligt tussen de Veluwe en de IJssel. Het is nog altijd een vrij kleinschalig weidegebied, met bosjes, beplanting en verspreide bebouwing. Heide is er echter in het geheel niet meer te vinden. Op de hoge en droge dekzandruggen vinden we nu bos en bebouwing. Daartussen liggen verspreid de lage delen. Hier stroomden de beken, vormden zich de moerasbossen en was het landschap in het oosten onderdeel van de overstromingsvlakten van de IJssel.
In 1993 kwam Natuurmonumenten met het plan om op de plaats van het Beekbergerwoud, daar waar nu weilanden liggen, een natuurlijk bos tot ontwikkeling te brengen. In ecologisch opzicht achtte de Vereniging het nog altijd een zeer kansrijk gebied. Vanuit de Veluwe kwelt er veel schoon grondwater op, waardoor een qua biodiversiteit veelzijdig moerasbos zich er bijna als vanzelf zal ontwikkelen indien het de ruimte krijgt. In sloten en houtwallen treft men nog een aantal soorten aan uit het vroegere bos, die zich dienen uit te zaaien in het nieuwe bos. Door aankoop van gronden probeert men rond de autosnelweg, die het voormalige bos doorsnijdt, het moerasbos terug te krijgen. Natuurmonumenten ziet het gebied als een onmisbare verbindingszone tussen de Veluwe en het IJsseldal. Het is echter niet opgenomen in de ecologische hoofdstructuur van Nederland.
Het gebied is deels ontsloten voor natuurgerichte recreatie door de aanleg van verhoogde zand- en vlonderpaden. Aan de Woudweg is een parkeerplaats en centraal is een uitkijktoren neergezet. Natuurmonumenten bezat anno 2011 zo'n 125 hectare voormalige, na het rooien van het 'oerbos' in 1871 ontgonnen weidegronden, die lang in gebruik zijn geweest als zogenoemd hooiland. Ze bestaan uit vochtig grasland met houtwallen en worden voor een groot deel omgevormd tot vochtig loofbos. Daartoe werden eerst op veel plaatsen de voedselrijke bovenste grondlaag afgegraven en sloten gedempt, waardoor neerslagwater in het gebied blijft. Volgens planning zal het nieuwe natuurgebied uiteindelijk ongeveer 300 hectare groot zijn.
In de jaren 1990 werden de plannen voor de ontwikkeling van nieuw bos in de pers soms begroet als eerherstel en wederopstanding van het verloren woud. Hoewel Natuurmonumenten over het algemeen niet meeging in deze natuurnostalgie noemde ze in de brochure Het Beekbergerwoud - natuurontwikkeling in een voormalig oerbos uit 1993, waarin de plannen met betrekking tot het gebied uit de doeken werden gedaan, zelf ook 'oernatuur' als referentie.
'Het Woud' genoot vóór zijn ondergang een grote faam bij reizigers en floristen. In het Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden (Van der Aa, 1840) is te lezen:
Dit bosch is een der merkwaardigste bosschen van ons Vaderland en misschien het eenig natuurwoud, waar nooit in geplant is of wordt. De plantengroei is er zo weelderig als ergens in ons geheele land. Het bestaat meest uit elzenbomen, die zich zelven zaaien, en soms wel een hoogte van 20 ellen bereiken. Voorts ziet men er de schoonste essen en eikenbomen, heesters van de vreemdste soort en wilde bloemen. De zwarte bezie, de framboos, de braam- en de boschbes vindt men er in overvloed. Ook nestelen er goudvinken en nachtegalen; terwijl er eenige hoge terpen, horsten genaamd, in gevonden worden, waarvan de hoogste eenige oudheden opgeleverd heeft, die waardig zijn verder nagespeurd te worden. Wegens de weeken, moerassigen grond, kan uit dit bosch niet dan bij sterke vorst gehaald worden, en is het slechts bij drooge zomers te begaan. Het is 156 bunder, 16 vierk. roeden, 20 v. ellen groot, en behoort aan de eigenaars der Ugchelse mark onder Beekbergen.
De informatie die hier wordt gegeven over de eigendomsrechten is echter onjuist. Het gebied behoorde toe aan de Liedermark. Overigens werd er in het gebied op de hogere bosdelen gekapt, geplant en zelfs gespit.
Kort na 1840 bezochten O.G. Heldring en R.H. Graadt Jonckers het Woud. Hun gids was een oude jager die was gestoken in een pak van hertenleer. Ze kwamen aan op een plaats waar gehakt werd en ze bewonderden er essen van tachtig voet hoog. De kap ging gepaard met een feest, er waren vuren aangestoken waar men omheen zat, een koek-en-zopietafel stond klaar. "Hier nestelt raaf, reiger, roerdomp, ijsvogeltje en nachtegaal". Ze bezochten ook de Grote Horst, begroeid met eiken die er ooit waren gepoot. Aan de rand van het Woud zagen de heren kolenbrandershutten. Elk jaar werden er verscheidene mijten aan afvalhout verstookt in houtskoolmeilers.
J.H. Molkenboer schreef in 1847 dat het Woud zijn oorspronkelijke karakter aan het verliezen was. Vooral de zuidkant was volgens hem van gedaante veranderd. Waar de grond vroeger tussen de gekapte elzenbodem zwart en onbegroeid was, was ze nu bedekt met een dicht groen grastapijt. De grond was hoog en droog geworden, het leek wel een heidevegetatie.
...bij den herberg de Kar, den binnenweg naar de heide inslaande..., ziet men het woud voor zich liggen en zoude meenen een mastbos te naderen; zoodat men hetzelve bereikt hebbende en niet dan elzenstammen vindende, eerst na herhaalde overtuiging gelooven kan, dat deze boomsoort aldaar werkelijk die hoogte en dien omvang van stammen erlangt heeft, welke in de verte tot bedrieglijke verwisseling aanleiding gegeven heeft. Het dichte bladgewelf belet den plantengroei tusschen deze boomen welke daarenboven in den moerassigen en meestal onder water staanden bodem geen gunstige omstandigheid vindt.
De bekende natuurbeheerder en vegetatiedeskundige Victor Westhoff schreef in 1956, in een gedenkboek van de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten getiteld Vijftig jaar natuurbescherming in Nederland, een gedegen overzichtsartikel met de volgende slotwoorden:
Wanneer men de historie van de ondergang van het Beekbergerwoud nagaat, treft het, dat er zich onder alle stemmen van zijn bewonderaars nauwelijks één verhief, die voor zijn behoud pleitte of zelfs maar zijn ondergang betreurde. Men leefde toen blijkbaar nog in de ban van de gedachte, dat de strijd tegen de wildernis de eerste plicht was van een beschaafd volk. Maar die éne stem heeft toch gesproken, en daarbij het begrip Natuurmonument in onze taal ingevoerd: de stem van F.W. van Eeden in 1886: "Dit bosch had als monument van de voormalige natuur van ons land niet minder waarde dan oude gebouwen voor de geschiedenis der vaderlandsche kunst, en het redden van zulke merkwaardige plekjes uit sloopershanden moest aan de Koninklijke Akademie van Wetenschappen worden opgedragen.
'Het Woud' staat er op een tekening van het bos uit 1846, die gebruikt werd voor de topografische kaart van 1854. Het Beekbergerwoud lag zes kilometer ten zuidoosten van de dorpskern van het lang klein gebleven dorpje Apeldoorn; de oostelijke rand van het bos lag anderhalf kilometer van het boerengehucht Klarenbeek.
De vroegste bekende vermelding van het Woud staat in een verpondingsregister uit het jaar 1648. Hierin werden ter vaststelling van de heffing op de grondbelasting de aard van terreinen opgetekend. Het Woud werd aangeslagen als van weinig waarde.
Het Beekbergerwoud en de omliggende, uitgestrekte heidevelden waren in het gemeenschappelijk bezit van het marke- of malegenootschap van de Lierdermark. De opbrengsten van hout en hooi werden volgens plaatselijk vastgestelde verdeelsleutels verdeeld over de geërfden, de aandeelhouders.
De eerste vermelding betreffende het beheer van het Beekbergerwoud dateert uit 1660. Het is opgetekend in de markeboeken van de Lierdermark (waarvan de oudste stukken overigens uit de periode 1515-1675 dateren). Vet gedrukt zijn hierna de streeknamen die in en rond het woud voorkomen. De gegevens zijn overgenomen uit Moerman en Zinderen Bakker (1950), zoals deze auteurs ze hebben geciteerd en uit het Memorieboek wegens de jaarlijksche verdeelingen en verkopingen benevens enige merkwaardige aanteekeningen over de Lierder en Speldermark te Beekbergen, opgesteld door marktenschrijver D. Boks, beginnende 1 Mei 1826.
Een volledige lijst van de namen der geërfden komt voor in een opstel van A. Aarsen in de Gelderse Volksalmanak 1899. De aandelen in deze lijst van 1868 waren het eigendom van ongeveer 70 personen. Sommige hadden bijvoorbeeld 1/108 van een vol 17e deel.
Noot en referentie