
Het Bezettingsstatuut van Duitsland (Engels Occupation Statute, Frans Statut d'occupation) van 10 april 1949 regelde de betrekkingen tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de drie bezettingsmachten: de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Frankrijk, en legde de verdeling vast van bevoegdheden en verantwoordelijkheden, tussen de toekomstige Duitse regering en de Geallieerde Controleautoriteit vast. Het statuut trad op 21 september 1949 in werking.
De Bondsrepubliek Duitsland had bij haar ontstaan nog geen volledige staatsmacht, omdat de opperste macht bij de Geallieerden bleef. Met dit statuut verleenden de drie westerse mogendheden, vertegenwoordigd door de Geallieerde Hoge Commissie, de Bondsrepubliek en haar deelstaten de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht. Zij beperkten hun eerder verworven jurisdictie, maar behielden soevereine rechten op gebieden als buitenlands beleid, demilitarisering, herstelbetalingen, opvang van vluchtelingen en controle over het Ruhrgebied. Alle grondwetswijzigingen en wetten bleven onderworpen aan het recht van bezwaar van de bezettende mogendheden. Het land bleef onder militaire bezetting, zodat de Geallieerden de politieke macht zo nodig weer volledig konden overnemen.
Kort na het tot stand komen van het Statuut werd het Akkoord van Petersberg gesloten, voor Duitsland de eerste aanzet naar een eigen buitenlands beleid. De bepalingen van het Bezettingsstatuut zouden na twaalf tot achttien maanden herzien worden. De verdere onderhandelingen in dat verband leidden uiteindelijk tot het Duitslandverdrag van 26 mei 1952 en later de Verdragen van Parijs van 23 oktober 1954, waarmee het bezettingsstatuut in de westelijke bezettingszones in Duitsland beëindigd werd en de Bondsrepubliek haar soevereiniteit verkreeg. Die was weliswaar nog tot 15 maart 1991 beperkt door geallieerde voorbehoudsrechten.