| Brilslang IUCN-status: Niet bedreigd (2019) | ||||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Een juveniel exemplaar. | ||||||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||||||
| Naja naja Linnaeus, 1758 | ||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||

De brilslang (Naja naja), ook wel Indische cobra, is een giftige slang uit de familie koraalslangachtigen (Elapidae), dezelfde familie als de mamba’s en koraalslangen. Ze staat op de derde plaats van de Grote Vier (slangen), de vier giftigste slangensoorten op het Indiase subcontinent (voornamelijk in India en Sri Lanka).
De wetenschappelijke naam van de soort werd voor het eerst voorgesteld door Carl Linnaeus in 1758. Oorspronkelijk werd de wetenschappelijke naam Coluber Naja gebruikt. De naam “Naja” komt waarschijnlijk van het Sanskrietwoord “Naga”, wat “slang” betekent.
De naam komt van het typische “bril”-achtige patroon achter op de halskap. Wanneer de slang zich bedreigd voelt, spreidt ze haar nekribben uit zodat een brede kap ontstaat. Op die kap zie je vaak twee ronde vormen die lijken op een bril.
De totale lichaamslengte bedraagt meestal 1,2 tot 1,8 meter, soms meer dan 2 meter. De kleur van de slang is sterk variabel (bruin, grijs, geelachtig, zwart of zelfs bijna wit), de buikzijde is lichter en heeft enkele donkere banden aan de voorzijde. Op de rugzijde is, op de nek, een donkere band aanwezig, met daarboven een op een bril lijkende, witte donkeromzoomde vlek. Zowel de kleur als de vorm van de vlek zijn variabel. Net als andere cobra's kan de slang zijn 'hoed' opzetten, die bestaat uit twee flappen aan weerszijden van de kop.
Wanneer ze zich verdedigt richt ze het voorste deel van haar lichaam omhoog, spreidt ze haar kap, sist ze luid en maakt ze soms schijnbewegingen voordat ze bijt.
De brilslang leeft in Azië: in Afghanistan, Bangladesh, Bhutan, India, Myanmar, Nepal, Pakistan en Sri Lanka. De soort komt voor tot op een hoogte van 2000 meter boven zeeniveau. De habitat bestaat uit vochtige plaatsen, zowel begroeide gebieden als meer open delen zoals akkers, tuinen en in steden.
De slang is bodembewonend en schemeractief, overdag wordt gescholen in holen en in holle bomen. Op het menu staan voornamelijk knaagdieren, amfibieën, vogels en andere slangen. De cobra is giftig voor de mens, het gif is een neurotoxine dat de spieren verlamt zodat de ademhaling of het hart stilvalt. Andere mogelijke symptomen van een beet zijn pijn, duizeligheid, wazig zicht, ademhalingsproblemen. Tegenwoordig bestaan er antigiffen, maar snelle medische hulp blijft cruciaal.
Een belangrijke vijand van de cobra is de mangoest, die niet immuun is voor het gif maar desondanks de slang kan doden.
De brilslang is eierleggend en produceert ongeveer 10 tot 30 eieren, die in een ondergronds nest worden afgezet. Na ongeveer twee maanden komen ze uit en komen de juvenielen tevoorschijn. Deze zijn zo'n 20 tot 30 centimeter lang maar hebben al volledig ontwikkelde gifklieren en zijn direct giftig. Bijzonder is dat het vrouwtje vaak het nest bewaakt tot de jongen uitkomen, iets wat niet veel slangen doen.
De brilcobra eet vooral ratten, muizen, kikkers, hagedissen, kleine vogels en soms andere slangen. Ze jaagt meestal snel waarbij ze een beet geeft, dan wacht tot het gif werkt en daarna de prooi doorslikt.
In India heeft de cobra een belangrijke plaats in de mythologie, de religie en de volksverhalen.
Bronnen
Referenties