| Haagwinde | ||||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||
| soort | ||||||||||||||||||
| Convolvulus sepium L. (1753) | ||||||||||||||||||
| Bloemen met kelk en bijkelk zichtbaar | ||||||||||||||||||
| Zaden | ||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||
De haagwinde (Convolvulus sepium, voorheen geruime tijd Calystegia sepium) is een vaste plant die behoort tot de windefamilie (Convolvulaceae). In Nederland wordt de haagwinde ook wel pispotje genoemd naar de vorm van de bloem. Een Vlaamse bijnaam is onze-lieve-vrouwe-glazeke.
De haagwinde is een vaste, kruidachtige slingerplant die een hoogte kan bereiken van ± 1,5–3 m. De stengels van de plant zijn rechtswindend. Ze vormt ondergrondse wortelstokken. De bloeitijd loopt van juni tot de herfst. De bloemen staan maar een dag open en sluiten zich als het donker wordt of als het gaat regenen. De bloemkroon is wit, vijfslippig, en varieert in grootte van 5–7 cm. De vijf meeldraden zijn tot 25 mm lang, en de helmknoppen 4–6 mm. Het vruchtbeginsel is bovenstandig en tweehokkig. De vrucht is een doosvrucht met één tot vier zaden.
De haagwinde onderscheidt zich van de akkerwinde doordat de steelbladen groot zijn en de kelk bedekken. Bij de haagwinde zitten geen en bij de akkerwinde wel twee korte, smalle (draadvormige) schutblaadjes halverwege de bloemsteel. Ze geuren iets naar vanille. Verder is de bloemkroon van akkerwinde vijf of meer keer langer dan de kelk.
De plant komt voor op natte tot vochtige, voedselrijke grond waar flink wat zonlicht komt. Typische standplaatsen zijn natte strooiselruigten, randen van moerasbossen, rietlanden, akkers, plantsoenen en tuinen. Door de aanwezigheid van haar makkelijk breekbare wortelstokken wordt haagwinde in tuinen vaak beschouwd als een onkruid dat moeilijk te bestrijden is. De planten winden zich om andere planten of palen en omheiningen. De niet-windende stengel kan met de top in de grond dringen en daar een knolletje vormen, dat kan overwinteren en tot een nieuwe plant kan uitgroeien.
De haagwinde is een kensoort voor de klasse van natte strooiselruigten (Convolvulo-Filipenduletea).