
Castra (plurale tantum uit enkelvoud castrum) was de Latijnse benaming voor een Romeins legerkamp, en werd gebruikt voor legerkampen van verschillende afmetingen, zoals een groot legionair fort, kleinere forten en tijdelijke kampementen.
In de castra sneden de via principalis en de via praetoria elkaar. De eerste liep van de porta principalis dextra naar de porta principalis sinistra (linkerpoort), waar de carcer (gevangenis) zich bevond. De via praetoria, langs het Praetorium (hoofdkwartier, afgeleid van praetor), liep van de porta praetoria (hoofdpoort) tot de porta decumana (achterste poort). In het midden van het kamp bevond zich het Praetorium, de tenten van de legerleiding, de vergaderplaats en het valetudinarium (cf. infra). Daar omheen waren de papiliones (tenten) van in contubernia opgedeelde Romeinse legionairs opgesteld. Elke castra bezat een valetudinarium (cf. ziekenboeg), waar gewonden en zieken door een meereizende medische staf werden verzorgd. De ziekententen werden opgetrokken tussen tijdelijke verschansingen van aarde en hout, waardoor men beschut was tegen nachtelijke overvallen.
Toen men later overschakelde op een offensievere strategie, kregen de Romeinse legerplaatsen een permanenter karakter. Deze legioenstandplaatsen gingen tevens dienstdoen als zomerkamp. Dit leidde tot een groter comfort in de legerkampen. Een permanente Romeinse legerplaats bestond uit houten barakken, waar de militairen hun onderkomen hadden. Rond het castrum was een fossa, een gracht die door de Romeinse soldaten gegraven werd. Het opgegraven materiaal werd gebruikt voor de muur rond het castrum. Bovenop deze muur was een palissade, bestaande uit palen met spitse punten. In latere tijd werden de muren en hoofdgebouwen in steen opgetrokken.
De enkelvoudsvorm castrum komt, in samenstellingen, voor in toponiemen, bijvoorbeeld Castrum Album, Castrum Novum en Castrum Rodanas, bij Saint-Maximin in Frankrijk. Barakken van Romeinse soldaten worden in het Nederlands ook wel aangeduid met castra, de meervoudsvorm van castrum.