| Duizendguldenkruid | ||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Echt duizendguldenkruid (Centaurium erythraea) | ||||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||||
| ||||||||||||||||
| Geslacht | ||||||||||||||||
| Centaurium Hill (1756) | ||||||||||||||||
| ||||||||||||||||
Duizendguldenkruid (Centaurium) is een geslacht van ongeveer vijfentwintig soorten kruidachtige, een of tweejarige planten uit de gentiaanfamilie (Gentianaceae).
Het geslacht is ondergebracht in de tribus Chironieae en de subtribus Chironiinae.
Het geslacht werd, net als het geslacht Centaurie (Centaurea), vernoemd naar het fabeldier centaur uit de Griekse mythologie. De centaur Cheiron (ook vaak gespeld als 'Chiron') was beroemd om zijn kennis van geneeskundige kruiden.
De naamgever van het geslacht, de Britse botanicus John Hill, gaf voor de naam geen etymologie. Hij verwees naar Linnaeus, die de soorten opnam in het geslacht Gentiana, en zelf de geslachtsnaam 'Centaurium' niet gebruikte. Hill merkte onder enkele van de door hem onderscheiden soorten op dat ze door Bauhin wél in een apart geslacht 'Centaurium' waren geplaatst. Onder de soorten die door Bauhin in 'Centaurium' waren geplaatst en door Linnaeus in Gentiana was ook Gentiana centaurium (soort 14), nu de typesoort van het geslacht. In de introductie van het geslacht 'Centaurium minus' (ter onderscheid met 'Centaurium majus' – Centaurie) verwees Bauhin naar Plinius, boek 25 hoofdstuk 6, waar voor de naam de link met Cheiron de centaur te vinden is: "Centaurea curatus dicitur Chiron, cum Herculis excepti hospitio pertractanti arma, sagitta excidisset in pedem." [Van Chiron wordt gezegd dat die behandeld werd met Centaurea, toen hij, nadat hij Hercules als gast had ontvangen, diens wapens inspecteerde waarbij er per ongeluk een pijl in zijn voet schoot].
In de volksetymologie is de naam 'centaurium' ten orechte opgevat als een samenstelling van de Latijnse woorden 'centum' (honderd) en 'aurum' (goud) of 'aureus' (goudstuk). Dat heeft in de 16e eeuw in elk geval in Duitstalige gebieden geleid tot de vertaling 'Hundertguldenkraut', later opgewaardeerd naar 'Tausentguldenkraut'. Rembert Dodoens noemde het geslacht in 1554 'kleijn sanctorie', en noemde er de hoogduitse naam 'Klein Tausentguldenkraut' bij.
De soorten worden tot 50 cm hoog. De grondbladeren vormen bij veel soorten een rozet. De gaafrandige bladeren aan de holle stengel zijn steeds kruislings tegenoverstaand. De zacht tot fel roze gekleurde bloemen zijn los trosvormig gegroepeerd. De voornaamste bloeiperiode loopt van juni tot september. De uit vijf kroonblaadjes samengestelde bloemen openen zich bij zonneschijn.
Duizendguldenkruid komt overwegend op zonnige, vochtige plaatsen voor, in duinen, bosranden en weiden, maar ook op vochtige hellingen in de gebergten van Midden- en Zuid-Europa tot op hoogten van 1500 m. Dit warmteminnende geslacht is over heel Europa en het Middellandse Zeegebied verspreid. Ook in Noord-Amerika komt een aantal soorten voor die in Europa niet voorkomen. Echt duizendguldenkruid is onder meer in het Vlaamse Gewest strikt beschermd.

In België en Nederland komen de volgende soorten in het wild voor:
In Europa komen verder voor:
In grote delen van Midden- en Noordwest-Europa zijn de soorten beschermd.
Vroeger werd het kruid gebruikt als middel tegen maag- en leverkwalen.
In Noord-Amerika wordt het Europese echt duizendguldenkruid als artsenijplant verbouwd en is daar deels als exoot ingeburgerd. In Noord-Afrika en Zuidoost-Europa worden planten ook in het wild geoogst. Planten in dit geslacht bevatten vaak bitterstoffen die medicinaal gebruikt worden als eetlustopwekkend middel bij anorexia nervosa en bij spijsverteringskwalen. Het kruid bevat naast verschillende bitterstoffen ook glycosiden, flavonoïden, etherische oliën, valeriaanzuur en xanthone.
Volgens oud volksgeloof zou het als afweerkruid bescherming bieden tegen boze geesten. Ook zou het dragen van het kruid in de beurs zorgen dat deze nooit leeg geraakte.