| Charles Frison | ||||
|---|---|---|---|---|
| Persoonsgegevens | ||||
| Geboortedatum | 4 december 1921 | |||
| Geboorteplaats | Mechelen | |||
| Overlijdensdatum | 5 november 2010 | |||
| Overlijdensplaats | La Chaux-de-Fonds | |||
| Land | ||||
| Opleiding en werk | ||||
| Beroep(en) | Dirigent, componist, klarinettist | |||
| Genre(s) | Militaire muziek | |||
| Instrument(en) | klarinet | |||
| Tijdlijn en statistieken | ||||
| Jaren actief | 1939-1986 | |||
| ||||
Charles (Karel) Frison (Mechelen, België, 4 december 1921 – La Chaux-de-Fonds, Zwitserland, 5 november 2010) was een Belgisch componist, muziekpedagoog, militaire kapelmeester en klarinettist. Zijn vader was de componist en militaire kapelmeester Jean-Baptiste Joseph Frison (1897-1945), dirigent van de muziekkapel van het 7e Linieregiment in Mechelen.
Frison kreeg op amper zevenjarige leeftijd lessen in solfège en piano bij Gaston Feremans. Hij kreeg verdere lessen aan de muziekscholen van Vorst en Schaarbeek. Bij zijn vader studeerde hij klarinet, maar later ook bij Jan Segers, ere-onderkapelmeester, en Maurice Van Guchte, die docent aan het Koninklijk Conservatorium te Gent was. In 1939 werd hij klarinettist bij de muziekkapel van het 7e Linieregiment. Vanaf 1940 studeerde hij aan het Koninklijk Conservatorium te Brussel en behaalde 1e prijzen solfège bij Eugène Guillaume (1944) en muziekgeschiedenis bij Roger Bragard (1943). Verder studeerde hij piano bij Robert Vantomme en Charles Scharrès alsook harmonieleer en contrapunt bij Francis de Bourguignon.
In 1945 treedt hij toe tot de muziekkapel der Grenadiers, eerst onder leiding van René De Ceuninck en later onder leiding van Simon Poulain. Samen met dit muziekkorps vertrekt hij naar het bezette Duitsland. In het gevolg werd hij zelf kapelmeester van diverse militaire muziekkorpsen in Ukkel, Oppem en Merchtem. In 1947 stapt hij uit het leger en wordt muziekleraar aan de gemeenteschool van Jette evenals docent notenleer aan de muziekacademie van Schaarbeek. Bovendien leidde hij korpsen in Laken, Essene en Elsene, alsook verenigingen in Brussel en Neder-Over-Heembeek.
Ondertussen nam hij privé-lessen fuga en compositie bij Francis de Bourguignon. Op aanraden van Jos Hanniken die toen kandidaat-kapelmeester was, neemt hij opnieuw deel aan een examen om zich bij een militaire kapel te voegen en hij wordt in 1950 klarinettist in de muziekkapel van de 1e Brigade te Gummersbach onder leiding van Alphonse Morel. In 1951 slaagt hij in het examen voor hoofdonderkapelmeester en hij treedt in functie bij het muziekkorps van de 4e Brigade te Soest (Duitsland) als assistent van Gaston Devenijns. Nadat hij in 1957 slaagt in het examen voor kapelmeester volgt hij Martial Dury op als dirigent van de Muziekkapel der Binnenlandse Strijdkrachten te Aarlen en in 1963 van de Muziekkapel van de 16e Pantserdivisie te Antwerpen. Met deze muziekkapel kent hij grote successen in Nederland, Engeland, Frankrijk en niet in het minst met de talrijke concerten in de tuinen van de Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde Antwerpen. Dit muziekkorps werd in 1967 omgevormd tot de Muziekkapel van de Rijkswacht in Brussel en uitgebreid. Ook met deze muziekkapel verzorgt hij optredens in binnen- en buitenland (Frankrijk, Duitsland) en de begeleiding van de bekende rijkswachtkarroesel (= een ruitersfeest waarbij in een besloten ruimte proeven van vaardigheid worden gegeven). Op 1 januari 1973 gaat hij met pensioen.
Dat laat hem toe zich aan de compositie te wijden en als dirigent vóór diverse fanfares en harmonieën te staan. In 1974 behaalt hij de eerste Prijs op de compositiewedstrijd door het Provinciebestuur van Brabant uitgeschreven voor de hogere afdelingen voor zijn werk Festival suite. Van 1976 tot 1986 was hij dirigent van de Musique d’harmonie Les Armes-Réunies in La Chaux-de-Fonds (Zwitserland).
Hij werd gedecoreerd als Officier in de Kroonorde en Ridder in de Leopoldsorde.