Chmelnytsky-opstand

Kaart die het gebied toont dat bezet was door Zweden, Rusland, Brandenburg en de Kozakken van Chmelnytsky.

De Chmelnytsky-opstand (ook: Chmielnicki-opstand volgens de Poolse transcriptie) is de naam van een burgeroorlog die tussen 1648 en 1654 werd gevoerd in het Pools-Litouwse Gemenebest. Tijdens deze oorlog stonden de troepen die het Gemenebest trouw waren gebleven tegenover Oekraïense Kozakken die geleid werden door Bohdan Chmelnytsky. Uiteindelijk verloor het Gemenebest niet alleen grondgebied aan het Tsaardom Rusland (Moskovië), maar het verzwakte ook op het moment dat Zweden het land binnenviel: de 'Zweedse Zondvloed'.

Het belangrijkste resultaat van de opstand was dat het autonome Kozakken-Hetmanaat ontstond op een deel van het grondgebied van de moderne landen Oekraïne, Belarus (Wit-Rusland) en delen van de oblasten Brjansk en Koersk. De Zaporozka Sitsj in Zuid-Oekraïne, die al sinds de 16e eeuw bestond, werd een autonoom deel van het Hetmanaat. De horigheid werd er afgeschaft en de Kozakse boeren werden bevrijd van de Poolse landadel (szlachta), hoewel veel Joden in adelsdienst tijdens de opstand werden gedood. Het nieuwe Kozakken-Hetmanaat was formeel een onafhankelijke staat, hoewel het Verdrag van Pereiaslav van 1654 kan worden geïnterpreteerd als dat het Hetmanaat een protectoraat van de tsaar in Moskou was geworden.

Achtergrond

Eeuwenlang na de totstandkoming van het Gemenebest voelde de bevolking van Roethenië zich onderdrukt door de Poolse szlachta (adel), katholieke priesters en joodse handelaren. De voorspoed door export van graan had geleid tot de verspreiding van het lijfeigenschap en onderdrukking van de boerenbevolking. Hoewel veel Roetheense edelen vergelijkbare rechten en privileges hadden als hun Poolse en Litouwse tegenhangersn, namen velen de Poolse cultuur al snel over (polonisering) en bekeerden zich tot het rooms-katholicisme, omdat dat hen een hogere status gaf. En zo raakte de adel grotendeels vervreemd van het gewone volk, temeer daar ze hun traditionele rol als verdedigers van de orthodoxie verloren. De opkomst van de Contrareformatie verslechterde de relatie tussen de orthodoxe en katholieke kerk. Na de Unie van Brest in 1596 werd de Geünieerde kerk (Oekraïense Katholieke Kerk) opgericht en werd de orthodoxie, die de massa's trouw bleven, gediscrimineerd. Van de religieuze tolerantie, wat een kenmerk was geweest van het Gemenebest in haar hoogtijdagen, bleef weinig over. De orthodoxe geestelijken wisten met enig succes weerstand te bieden tegen de Geünieerde Kerk en richtten in 1620 de Metropolis Kiev, Galicië en heel Roes' op als tegenkerk.

Józef Chełmoński (1878): De Oberek. Het Joodse taveerne-personeel (in dienst van een Poolse edelman) kijkt toe hoe orthodoxe Oekraïense boeren dansen.

Na de Unie van Lublin (1569) lieten Poolse magnaten en gepoloniseerde Roetheense edelen in Oekraïne vaak Joodse handelaren, winkeliers en andere ondernemers optreden als tussenpersoon (rentmeesters) bij transacties met de boeren van Oekraïne. De magnaten verkochten of verhuurden bepaalde privileges aan de Joden voor een vast bedrag; vaak betrof dat het runnen van vrijwel alle niet-agrarische bedrijven in Oekraïne onder Pools bestuur. Terwijl ze zich vermaakten aan het hof, lieten de verpoolste edelen de Joodse licentiehouders zich de afkeer van de onderdrukte en lijdende boeren op de hals halen. Voor de Joden, aan wie het verboden was om grond te bezitten, was het een handige situatie om een taveerne, distilleerderij, korenmolen of ander bedrijfspand van de Poolse landadel te leasen, omdat vastgoed dat als Joods eigendom werd beschouwd, kwetsbaar was voor anti-Joods geweld. Door dergelijke leaseovereenkomsten te sluiten stelden Joden zich onder de bescherming van de Poolse of gepoloniseerde Roetheense adel, die daarmee de diensten kon uitbesteden, maar de financiële en administratieve controle over de economische activiteiten behouden.

Ondertussen ontstonden er sinds de 16e eeuw steeds meer Kozakken, die in de Zaporozka Sitsj in Zuid-Oekraïne zich probeerden te onttrekken aan het Poolse gezag. Dit was aanvankelijk een bonte verzameling van mensen met allerlei sociaal-economische, etnisch-culturele en politieke achtergronden die gevlucht of weggelopen waren uit het Poolse Kroonland, het Kanaat van de Krim of het vorstendom Moskou (later tsaardom Rusland). Gaandeweg zou het Laat-Roetheens (Middel-Oekraïens) de voertaal van de Kozakken worden, terwijl leiders van de Zaporizja-Kozakken zich steeds meer opwierpen als verdedigers van het orthodoxe geloof, dat in het Poolse Kroonland onder druk stond.

De rol van Chmelnytsky

Verbittering heeft waarschijnlijk een rol gespeeld bij de beslissing van Chmelnytsky om Oekraïne te ontdoen van Poolse en Roetheense magnaten en Joden.

Binnen enkele maanden na het begin van de naar hem genoemde opstand waren vrijwel alle Poolse edelen, beambten en priesters omgebracht of uit Oekraïne verdreven. Vooral onder de Joden waren de verliezen zwaar want zij waren van het szlachta-regime het talrijkst en het makkelijkst te vangen. Chmelnytsky vertelde dat de Polen hen als slaven 'in de handen van de vervloekte Joden' hadden verkocht. Met die woorden als strijdkreet slachtten de Kozakken in de jaren 1648-1649 een enorm aantal Joden af. Het precieze aantal doden is niet bekend, maar de schattingen lopen uiteen van minimaal 50.000 tot honderdduizenden doden onder de Joden, waarschijnlijk 56.000 doden. Driehonderd joodse gemeenschappen werden volkomen vernietigd. Het totale aantal doden in het Gemenebest als gevolg van de opstand bedroeg meer dan een miljoen. Bij represailles werden duizenden Kozakken en hen steunende boeren vermoord.

De opstand

Deze gebeurtenissen luidden een aantal campagnes in (die samenvielen met de periode die bekendstaat als de Zweedse Zondvloed) die Oekraïne tijdelijk bevrijdde van de Poolse overheersing maar die eindigden met de overheersing ervan door Rusland. Successen bij Zjovti Vody, de slag bij Korsun en de slag bij Pilavtsi (in het Pools resp. Żółte Wody, Korsuń, and Piławce) tegen Hetman Mikołaj Potocki leidden ertoe dat Chmelnytsky door de Poolse koning werd afgekocht en bij het Verdrag van Zboriv (1949) vele privileges voor de Kozakken verwierf. Feitelijk kreeg het Kozakken-Hetmanaat hiermee verregaande autonomie binnen het Gemenebest. Het was een grote stap richting de onafhankelijkheid van het Kozakse Oekraïne. Na het hervatten van de vijandelijkheden echter werden de troepen van Chmelnytsky door hun voormalige bondgenoten de Krimtataren verraden. In 1651 leden ze een zware nederlaag in de slag bij Beresteczko waarna ze bij Bila Tserkva (Biała Cerkiew) gedwongen werden een zeer nadelig verdrag te accepteren. Een jaar later namen de Kozakken wraak in de slag bij Batoh.

De Joden en de opstand

De historicus Jacob Rader Marcus vatte de situatie als volgt samen:

"In 1654 keerde het naburige Rusland zich tegen Polen en een jaar daarna stroomden de Zweden het land vanuit het noorden binnen en al die groepen, de inheemse Polen incluis, slachtten overal in het land de weerloze Joden af." (The Jew in the Medieval World, 1896).

De Ooggetuigekroniek meldt:

Waar ze de szlachta, beambten van de koning of Joden ook vonden, ze doodden hen allemaal; vrouwen en kinderen werden niet gespaard.

Ze plunderden de landgoederen van de Joden en edelen, brandden de kerken af en vermoordden hun priesters zonder maar iets intact te laten."

De schattingen van het aantal doden als gevolg van de Chmelnytsky-opstand lopen uiteen. De historicus Orest Subtelny schrijft in zijn veel geprezen boek Ukraine: A History (p. 127–128):

"Vooral onder de Joden waren de verliezen zwaar want zij waren van het szlachta-regime het talrijkst en het makkelijkst te vangen. Tussen 1648 en 1656 werden tienduizenden Joden - gezien het gebrek aan betrouwbare gegevens is het onmogelijk nauwkeuriger cijfers te geven - door de rebellen omgebracht en tot op heden wordt de Chmelnytsk-yopstand door Joden als een van de meest traumatische gebeurtenissen uit hun geschiedenis beschouwd. Schattingen van het aantal tijdens de opstand vermoorde Joden zijn in de geschiedschrijving over deze gebeurtenis enorm overdreven. Volgens B. Weinryb zou het totale aantal verliezen dat in Joodse verslagen wordt genoemd tussen de 2,4 en 3,3 miljoen liggen, duidelijk een fantastisch aantal. Weinryb noemt de schattingen van S. Ettinger over het aantal Joden dat in het gebied woonde waar de opstand plaatsvond - ongeveer 50.000. Zie B. Weinryb, "The Hebrew Chronicles on Bohdan Khmelnytsky and the Cossack-Polish War," Harvard Ukrainian Studies 1 (1977): 153-77. Hoewel er veel Joden zijn omgekomen waren de verliezen niet zo afgrijselijk hoog als vaak wordt beweerd."

De andere uiterste schattingen in academische bronnen gaan uit van enkele honderdduizenden doden. Eén bron, The Jew in the Modern World (Oxford University Press), stelt dat er tijdens de opstand honderdduizenden Joden omkwamen en volgens één getuige waren er 744 gemeenschappen vernietigd. Terwijl de Jewish Encyclopedia het aantal van 744 verwoeste gemeenschappen als 'onbetrouwbaar' afdoet beschouwt hij bronnen die 500.000 doden noemen als 'gezaghebbend'.

Volgens 'Grensland' van Ruslandkenner en historicus M. Jansen kunnen er zeker enkele tienduizenden joodse slachtoffers zijn geweest.

Volgens wetenschapper Shaul Stampfer waren er in 1647 slechts ongeveer 40.000 Joden in Oekraïne in totaal, waarvan 17.000 in het woiwodschap Wolynië, 9.000 in Podolië, nog eens 9.000 in Bratslav en 5.000 in Kyiv (Kiow). Hij schatte dat maar 21.000 daarvan de opstand overleefden, waarvan 8.000 in Wolynië, 2.000 in Podolië, onbekende aantallen in Bratslav en Kyiv, 8.000 die als vluchtelingen uit het land waren gegaan, 1.000 die zich tot het christendom hadden bekeerd in de hoop zo te overleven en 3.000 die door de gevangengenomen werden, met name door Krim-Tataren die hen als slaven verkochten aan het Ottomaanse Rijk (waar ze vaak werden opgevangen door de plaatselijke Joodse gemeenschappen). Het lijkt erop dat de meer welvarende Joden hogere overlevingskansen hadden, omdat zij het zich konden veroorloven om te vluchten en daarna weer terug te keren, terwijl armere Joden sneller slachtoffer werden. Hoewel de Joodse gemeenschappen werden verscheurd en de overlevenden trauma's overhielden aan de gebeurtenissen, blijkt uit overgeleverd bewijsmateriaal dat de Joden er vrij snel na 1648 weer in slaagden om hun oude gemeenschappen in Oekraïne te herstellen en opnieuw te groeien. De Joden stelden zich opnieuw in dienst van de adel en functioneerden in hun traditionele economische rollen als tussenpersonen, totdat de adel eind 19e eeuw verdween en hun bescherming wegviel.

De nasleep

Zie de Ruïne (Oekraïense geschiedenis) voor de nasleep.

Verzwakt door de oorlogen haalde Chmelnytsky de Kozakken in 1654 ertoe over een bondgenootschap te sluiten met de Russische tsaar in het Verdrag van Perejaslav, waardoor Oekraïne bij Rusland werd ingelijfd. Het Gemenebest bleef wel proberen weer invloed op de Kozakken te krijgen, bijvoorbeeld met de Unie van Hadjatsj van 1658. Maar de Kozakken werden steeds trouwere onderdanen van Moskovië. Het Gemenebest verzwakte steeds meer en de Kozakken integreerden steeds meer in het Russische rijk, waar ze staatsprivileges hadden gekregen in ruil voor hun autonomie. Tegen de tijd dat de Poolse delingen in 1785 een eind maakten aan het Gemenebest hadden veel Kozakken Oekraïne al verlaten om de Koeban te koloniseren.

Zie ook

Zie de categorie Khmelnytsky Uprising van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.