Mary Jean Loutsenhizer, pseudoniemChris Connor, (8 november 1927 – 29 augustus 2009) was een Amerikaansejazz-zangeres.
Vroege leven
Mary Jean Loutsenhizer werd geboren op 8 november 1927 in Kansas City, Missouri. Haar moeder was huisvrouw. Haar vader was telegrafist bij Western Union en leerde Mary Jean hoe ze morsecode moest gebruiken. Ze groeide op samen met haar zus Fran, die acht jaar ouder was. Mary Jean zong al van jongs af aan met haar zus en trad voor het eerst op voor een livepubliek in een schoolvoorstelling, waar ze in het Spaans zong. Op 13-jarige leeftijd verhuisde het gezin naar Jefferson City, Missouri. Op de middelbare school was ze eerste klarinettist in de schoolband. In een interview met Jazz Wax vertelde ze Marc Myers dat het bespelen van het instrument haar leerde noten lezen en ademhalingstechnieken onder de knie te krijgen. Mary Jean had echter de intentie om zangeres te worden.
Mary Jean bleef zingen, onder meer tijdens een succesvol optreden bij een diploma-uitreiking van een junior college in 1945. In haar tienerjaren nam ze de genderneutrale artiestennaam Chris Connor aan. Nadat ze afstudeerde aan de middelbare school ging ze zingen bij een bigband aan de Universiteit van Missouri onder leiding van Paul Cherches. Cherches maakte arrangementen van liedjes van Stan Kenton en zijn orkest, met wie Connor graag had willen zingen. Terwijl ze overdag als secretaresse in Jefferson City werkte, gaf Connor 's avonds optredens met haar vriend Bob Brookmeyer. Met het oog op een succesvolle carrière verhuisde ze in 1949 naar New York City. Een roadmanager vertelde haar dat Claude Thornhill audities hield voor vrouwelijke zangers. Thornhill was onder de indruk van haar stem en liet haar toetreden tot zijn nieuwe zanggroep, The Snowflakes.
Muzikale carrière
In 1949 nam Connor twee nummers op met de band van Claude Thornhill: "There's a Small Hotel" en "I Don't Know Why". Met de bigband van Jerry Wald nam ze "You're the Cream in My Coffee", "Cherokee", "Pennies from Heaven", "Raisins and Almonds" en "Terremoto" op. Connor en Thornhill kwamen in 1952 weer samen voor een radio-uitzending vanuit het Statler Hotel in New York City, waarvoor ze "Wish You Were Here", "Come Rain or Come Shine", "Sorta Kinda" en "Who Are We to Say" zong. In 1953 nam ze met Stan Kenton Orchestra "All About Ronnie" op.
Connors solocarrière begon in 1953. In 1995 meldde Billboard dat haar eerste twee soloalbums voor Bethlehem Records - "Chris Connor Sings Lullabys of Birdland" en "Chris Connor Sings Lullabys for Lovers" - respectievelijk op nummer 1 en nummer 2 stonden in de jazzhitlijst voor de week die eindigde op 23 april 1955. In 1957 stond ze op nummer 10 in de populariteitspeiling van diskjockeys voor favoriete vrouwelijke zangeres, achter Lena Horne en June Christy.
Ze maakte haar laatste opnames voor HighNote: "Haunted Heart" in 2001, "I Walk With Music" in 2002 en "Everything I Love" in 2003.
Overlijden
Connor overleed in Toms River, New Jersey, waar ze op dat moment woonde, op 29 augustus 2009 aan kanker. Ze was op dat moment 81 jaar oud. Connor werd overleefd door haar levenspartner en manager, Lori Muscarelle.
Discografie
Chris Connor Sings Lullabys of Birdland (Bethlehem, 1954)
Chris Connor Sings Lullabys for Lovers (Bethlehem, 1954)