| Clathrus | ||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Inktviszwam (Clathrus archeri) | ||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||
| ||||||||||||
| Geslacht | ||||||||||||
| Clathrus P. Micheli ex L. (1753) | ||||||||||||
| ||||||||||||
Clathrus is een geslacht van schimmels uit de familie Phallaceae, behorend tot de orde Phallales (stinkzwammen). De typesoort is de traliestinkzwam (Clathrus ruber). Het geslacht werd in 1753 geldig gepubliceerd door Carl Linnaeus, op basis van eerder werk van de Italiaanse natuuronderzoeker Pier Antonio Micheli.
De soorten uit dit geslacht vormen opvallende, vaak roodachtige of oranje vruchtlichamen, die uit een aanvankelijk eivormige structuur tevoorschijn komen. Bij sommige soorten ontwikkelen zich tralie- of kooivormige structuren, terwijl andere soorten afzonderlijke, uitgespreide armen vormen. De vruchtlichamen dragen doorgaans een donker olijfbruine, slijmerige sporenmassa, de gleba, die bij veel soorten een sterke aasachtige geur verspreidt. Hiermee worden insecten aangetrokken die voor de verspreiding van de sporen zorgen.
De soorten leven saprotroof en breken dood organisch materiaal af. Ze groeien onder meer op humusrijke bodems, tussen plantenresten, in strooisellagen en op plaatsen waar houtsnippers of ander organisch materiaal aanwezig zijn.
De vruchtlichamen ontwikkelen zich aanvankelijk ondergronds of gedeeltelijk ondergronds als bolvormige tot eivormige structuren, die door een buitenwand (peridium) worden omsloten. Deze jonge vruchtlichamen worden vanwege hun vorm ook wel duivelseieren genoemd.
Tijdens de rijping zet het binnenste gedeelte zich sterk uit, waardoor het peridium openscheurt en de karakteristieke sporendragende structuur (receptaculum) zichtbaar wordt. De resten van het peridium blijven veelal als een schedevormige volva aan de basis achter.
De vorm van het receptaculum verschilt per soort. Bij Clathrus ruber ontstaat een min of meer bolvormig netwerk van met elkaar verbonden, sponsachtige armen. Bij Clathrus archeri ontvouwen zich daarentegen meestal vier tot acht langgerekte, roodachtige armen, waardoor het vruchtlichaam op een inktvis lijkt. Andere soorten vormen kleinere, anders gekleurde of minder regelmatig opgebouwde structuren.
De armen zijn doorgaans hol en sponsachtig opgebouwd. De gleba bevindt zich op de binnenzijde van de armen of op gespecialiseerde, plaatselijke sporenmassa's dragende structuren. Bij veel soorten is de gleba aanvankelijk olijfgroen tot donkerbruin en sterk slijmerig.
De basidiosporen zijn doorgaans klein, langwerpig-ellipsoïde tot cilindrisch, glad en dunwandig. Ze zijn meestal kleurloos onder de microscoop en bevinden zich bij rijpheid in de slijmerige gleba.
Anders dan bij veel plaatjeszwammen worden de rijpe sporen niet actief van de basidiën weggeschoten, maar hoofdzakelijk door dieren verspreid. Dit wordt aangeduid als passieve sporenverspreiding.
Soorten van Clathrus leven als saprotrofe bodemschimmels. Het mycelium groeit door organisch materiaal, waaruit voedingsstoffen worden opgenomen. Daarmee dragen deze schimmels bij aan de afbraak van plantenresten en de kringloop van voedingsstoffen.
De groeiplaatsen lopen uiteen van bossen en bosranden tot tuinen, parken, plantsoenen en andere door de mens beïnvloede standplaatsen. Vooral voedselrijke, humushoudende bodems met strooisel, vermolmd hout of houtsnippers kunnen geschikte groeiplaatsen vormen. De precieze standplaatseisen verschillen per soort.
Een opvallend kenmerk van de stinkzwammen is de verspreiding van sporen door insecten. De gleba verspreidt bij veel soorten een sterke geur die doet denken aan rottend vlees of ander ontbindend organisch materiaal.
Deze geur trekt vooral vliegen en andere insecten aan. Wanneer de dieren zich op het vruchtlichaam bewegen of van de gleba eten, kunnen sporen aan hun lichaam blijven kleven of worden opgenomen. De sporen kunnen vervolgens op andere plaatsen worden afgezet, onder meer via de uitwerpselen van de insecten.
Deze vorm van verspreiding wijkt af van die van veel andere paddenstoelen, waarbij de sporen hoofdzakelijk door de wind worden verspreid.
Het geslacht Clathrus heeft een brede geografische verspreiding, met vertegenwoordigers in tropische, subtropische en gematigde gebieden. Verschillende soorten zijn oorspronkelijk beschreven uit onder meer Europa, Afrika, Azië, Australië en Zuid-Amerika.
Sommige soorten hebben hun verspreidingsgebied uitgebreid door menselijke activiteiten, waaronder vermoedelijk het transport van planten, grond en organisch materiaal.
In Nederland worden twee soorten uit het geslacht aangetroffen:
De inktviszwam heeft zich in Europa sterk uitgebreid. Onderzoek naar de historische en toekomstige verspreiding laat zien dat klimaat en de beschikbaarheid van geschikte leefgebieden een belangrijke rol spelen. Hoewel de soort in Europa als uitheems wordt beschouwd, zijn negatieve effecten op inheemse ecosystemen nog onvoldoende aangetoond om hem zonder meer als invasief te kwalificeren.
Het geslacht Clathrus werd in 1753 door Linnaeus gepubliceerd in Species Plantarum. De naam verwijst naar de tralieachtige bouw van de vruchtlichamen van verschillende soorten. De typesoort Clathrus ruber werd in 1966 als zodanig aangewezen.
In de loop van de taxonomische geschiedenis zijn verschillende geslachten onderscheiden of samengevoegd. Tot de geslachtsnamen die tegenwoordig als synoniem van Clathrus worden beschouwd, behoren onder andere Anthurus, Clathrella, Colonnaria, Linderia en Linderiella.
De afbakening van het geslacht is nog niet volledig opgehelderd. Moleculair-fylogenetisch onderzoek heeft aanwijzingen opgeleverd dat Clathrus in de traditionele, ruime opvatting polyfyletisch is. Dit betekent dat de soorten die onder deze geslachtsnaam zijn samengebracht niet noodzakelijk één natuurlijke evolutionaire groep vormen.
Met name de verwantschap tussen Clathrus archeri en de typesoort Clathrus ruber is onderwerp van onderzoek. De resultaten suggereren dat C. archeri mogelijk in een ander geslacht moet worden ondergebracht. Een dergelijke wijziging is echter nog niet algemeen doorgevoerd in de gebruikte taxonomische databanken.
Ook de familie-indeling verschilt tussen taxonomische systemen. Index Fungorum en Species Fungorum plaatsen Clathrus in de familie Phallaceae, terwijl sommige moleculair-fylogenetische indelingen de familie Clathraceae afzonderlijk erkennen.
Volgens Species Fungorum zijn onder Clathrus 67 naamvermeldingen geregistreerd, waaronder geaccepteerde namen, synoniemen en infraspecifieke taxa. In het geraadpleegde overzicht worden 40 soorten als geaccepteerd aangemerkt (peildatum 18 oktober 2026).
De onderstaande lijst volgt de taxonomische status en auteursvermeldingen van Species Fungorum.
De lijst weerspiegelt de status in Species Fungorum en hoeft niet alle namen te omvatten die in recent wetenschappelijk onderzoek worden gebruikt. Zo werd Clathrus delicatus in een publicatie uit 2025 op basis van morfologische en moleculaire gegevens onderzocht en als zodanig geïdentificeerd, maar deze soort ontbreekt in het geraadpleegde soortenoverzicht van Species Fungorum.
Een aantal namen die in oudere soortenlijsten onder Clathrus werden opgenomen, wordt tegenwoordig anders behandeld. Voorbeelden zijn:
Daarnaast werd de naam Clathrus cancellatus vroeger gebruikt voor de traliestinkzwam, die tegenwoordig als Clathrus ruber wordt aangeduid.