
DRU (voluit 'Diepenbrock en Reigers Ulft') is een ijzerproducerend en -verwerkend bedrijf opgericht in 1754 te Ulft (Gelderland). Het is een van de oudste industriële bedrijven van Nederland. De gieterij in Ulft werd in 1973 gesloten en in 2003 verhuisden de resterende onderdelen van het bedrijf naar Duiven.

In 2009 is in Ulft in een van de gebouwen het cultuurcentrum de DRU Cultuurfabriek gevestigd, terwijl een deel van de verdere fabrieksbebouwing een diverse herbestemming heeft gekregen. Het gehele complex maakt tegenwoordig de DRU Industriepark uit. Het huidige bedrijf DRU is niet meer verbonden aan dit terrein in Ulft.
Op 17 mei 1754 sloten de heren Bögel, Henning, graaf Van den Bergh en zijn raadsheer Roukens een overeenkomst tot het oprichten van een ijzerhut. Deze schepping betrof een van de eerste hoogovens van Nederland. Het ging in de oprichtingsperiode niet zo best met deze ijzerhut, totdat in 1774 Bernard Joseph Diepenbrock en zijn neven Theodor Johannes en Bernard Johann Reigers ten tonele verschenen. Dezen kwamen uit aanzienlijke families in Bocholt én hadden als eigenaren van een ijzerhut in Liedern bij Bocholt ervaring met de hoogoventechniek. Het drietal tekende een pachtcontract en begon te investeren in de hut. Het ging beter met het bedrijf en na diverse pachtcontracten werden, in 1831, de families Diepenbrock en Reigers volledig eigenaren van de Ulftse hut. De beginletter van de beide firmantenfamilies in combinatie met die van de vestigingsplaats leidde tot de korte bedrijfs- en merknaam DRU (Diepenbrock en Reigers te Ulft).
Rond 1850 startte een modernisering met de introductie van stoomkracht en een koepeloven. In 1857 waren een stoommachine van 12 pk en drie stoomketels in het bedrijf, rond 1870 was de DRU met circa 120 werklieden (van wie een derde beneden de 16 jaar) de grootste ijzergieterij in de regio.
DRU produceerde inmiddels van alles een breed scala aan gietijzeren producten, van paraplustandaards tot grafkruizen en van pannen tot kachels. Vanaf circa 1860 werd de DRU van een traditioneel hoogovenbedrijf een moderne ijzergieterij, met een eigen afwerkingsafdeling (circa 1885 emailleerderij)
Voor de eigen eindproducten kwam in 1918 een badkuipenfabriek. In 1919 volgde de omzetting in een (besloten) nv. In 1928 telde de onderneming 600 arbeiders, van wie 350 in de gieterij, 150 op de emailafdeling en 100 in de badkuipenfabriek.In de crisisjaren had DRU het moeilijk. In 1935 volgde overname van Jan Jaarsma's haarden- en kachelfabriek waardoor DRU op verwarmingsgebied een bredere basis kreeg, met name met de succesvolle Gasojar. Na de Tweede Wereldoorlog brak een periode aan van grote groei. Met name de DRU kachels en haarden werden veel gevraagd en ook de geëmailleerde pannen waren gewild. In 1948 ging het bedrijf naar de beurs. Er werd een bedrijfsfilm gemaakt genaamd "Symfonie van Vuur en IJzer". De toenmalige bedrijfsleider van DRU, Anton Tijdink, vertrok en richtte ATAG op.
DRU was een bedrijf met sociaal gevoel. Er werden huizen voor werknemers gebouwd, was er een bedrijfsschool en een personeelsfonds. Dit was een voorziening waarop werknemers een beroep konden doen voor onvoorziene maar noodzakelijke uitgaven. Dit fonds zou tot 1999 blijven bestaan.
In 1950 werd een gemechaniseerde sanitairgieterij in gebruik genomen. In de jaren 1950 groeide DRU verder. DRU kwam ook met gaskachels op de markt met nieuwe gepatenteerde systemen zoals thermostatische regelingen. In 1954 werd het 200-jarig bestaan gevierd en kreeg het bedrijf het predicaat Koninklijk. DRU telde toen 1380 werknemers, 45% van de productie was bestemd voor de export. In 1963 kwam Prinses Beatrix op bezoek. DRU beleefde een ongekende omzetgroei in de jaren 1960 toen vanwege de komst van aardgas de vraag naar gaskachels ongekend groot was. Na verzadiging van deze markt en het opkomen van centrale verwarming, waar DRU niet succesvol in investeerde, kwam het bedrijf ernstig in problemen. Er werd gediversificeerd maar met onvoldoende succes. In 1973 werd de ijzergieterij ontmanteld. DRU werd overgenomen door Internatio-Muller en ging roestvaststalen vloeistoftanks produceren. In 1991 werd het bedrijf wederom verkocht, nu aan de Wolters-Schaberg groep, het latere Kendrion. Dat deed de onderneming in 2002 over de directie, de heren Gelten en ter Horst. Het bedrijf verhuisde naar Duiven waar het kachels en haarden bleef maken. Er kwamen ook vestigingen in België en Groot-Brittannië.
In 1999 verliet DRU haar bedrijfspanden in Ulft. De oudere panden waren niet langer geschikt voor een moderne bedrijfsvoering. Bovendien wilde de gemeente Gendringen het bedrijventerrein graag hebben voor woningbouw. Een aantal DRU-gebouwen is sinds 2002 als industrieel erfgoed tot rijksmonument verklaard. Een van de oorspronkelijke panden herbergde het Nederlands IJzermuseum, waar vrijwel de gehele geschiedenis van DRU is terug te vinden, inclusief alle producten die het bedrijf in meer dan 250 jaar heeft voortgebracht. Inmiddels is de collectie deels opgeborgen, deels zichtbaar in diverse gebouwen van het DRU Industriepark.