| Daan Jansen | ||||
|---|---|---|---|---|
| Persoonsinformatie | ||||
| Volledige naam | Daniël Jansen | |||
| Nationaliteit | Nederlands | |||
| Geboortedatum | 2 februari 1891 | |||
| Geboorteplaats | Utrecht | |||
| Overlijdensdatum | 20 augustus 1949 | |||
| Overlijdensplaats | Utrecht | |||
| Opleiding en beroep | ||||
| Beroep(en) | Architect | |||
| ||||
Ir. Daniël (Daan) Jansen (Utrecht, 2 februari 1891 – 20 augustus 1949) was een Nederlands bouwkundig ingenieur, architect en kunsthistoricus. Hij gold als een deskundige op het gebied van de protestantse kerkbouw en hield zich intensief bezig met zowel nieuwbouw als monumentenzorg en restauratiewerkzaamheden.
Daniël Jansen werd in 1891 in Utrecht geboren als zoon van Willem Jansen, hoofd van een school, en Josephine Désirée Alexandrine Roebij. Op jonge leeftijd vertrok hij naar Middelburg, waar hij de hogere burgerschool (hbs) doorliep. Vervolgens studeerde hij bouwkundige ingenieurswetenschappen aan de Technische Hogeschool Delft. Na het voltooien van zijn studie keerde hij vrij snel terug naar zijn geboortestad Utrecht om zich daar als architect te vestigen.
In Utrecht werkte Jansen gedurende zijn loopbaan samen met verschillende vakgenoten. Zo was hij ongeveer twintig jaar geassocieerd met de architect C. Bos, tot diens vertrek uit Utrecht naar Middenbeemster. Kort voor zijn dood deelde hij een maatschap met ir. J.H. Pontier.
Jansen was diep godsdienstig en verbonden aan protestants-christelijke netwerken. Hij bestudeerde de theologische en liturgische vraagstukken die gepaard gingen met de inrichting van kerkgebouwen. Vanuit deze expertise was hij als curator actief voor het Instituut voor Religieuze en Kerkelijke Kunst te Utrecht. Jansen kampte met fysieke gezondheidsproblemen, maar bleef ondanks deze beperkingen werken. Hij overleed in augustus 1949 plotseling op 58-jarige leeftijd en werd begraven op de begraafplaats Den en Rust in Bilthoven. Bij zijn begrafenis waren tal van vertegenwoordigers uit de architectuurwereld, monumentenzorg en de Nederlandse Hervormde Kerk aanwezig.
Het architectonische werk van Jansen omvatte zowel functionele nieuwbouwprojecten als grootschalige restauraties van historische monumenten. In Geldermalsen herstelde hij in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog de kerk en de bijbehorende toren. Na de Meidagen bleef Jansen actief op het gebied van agrarisch herstel en overzag hij de bouw van een reeks boerderijen die deel uitmaakten van het nationale wederopbouwplan in de Grebbelinie.
Ten tijde van zijn plotselinge heengaan in 1949 had Jansen daarnaast al tien jaar de leiding over de langdurige restauratie van de Nicolaïtorens in de Utrechtse binnenstad. Kort voor zijn overlijden werd, wegens het vertrek van zijn vaste compagnon C. Bos, de uitvoering van het gemeentelijke woningbouwplan Pijlsweerd overgenomen door ir. J.H. Pontier.
Jansen publiceerde daarnaast regelmatig over de geschiedenis van Utrecht, monumentenzorg en kerkarchitectuur. In 1924 bracht hij een boekje uit over Oud-Utrecht, en hij droeg bij aan het bijbehorende jaarboekje. In 1939 schreef hij de artikelen 'De restauratie van de Domkerk' en 'Utrecht en Paderborn, bisschopssteden in hun vroegste ontwikkeling'. In het Bouwkundig Weekblad Architectura publiceerde hij in 1940 een studie over de middeleeuwse stad en haar immuniteiten, evenals een artikel over de Jacobikerk en haar omgeving. Ook leverde hij een belangrijk aandeel aan het handboek over protestantse kerkbouw dat onder redactie van prof. dr. J.N. Bakhuizen van den Brink verscheen, en schreef hij veelvuldig voor het Weekblad voor Christendom en Cultuur.