Daimyo

Een Daimyo komt op staatsbezoek, illustratie uit ca. 1860

Een daimyō (Japans: 大名) is een Japanse krijgsheer behorend tot de samoeraiklasse. Letterlijk betekent daimyō grote naam. Sommige van deze heersers uit de feodale periode van Japan (12e eeuw tot 19e eeuw), hadden een enorme macht.

Sengoku jidai

De Sengoku-periode (戦国時代, oftewel 'het tijdperk van het land in oorlog') was begonnen met de Ōnin-oorlog in 1467 en duurde tot de overwinning van de Tokugawa op de Toyotomi in 1615. De aristocratie (of kuge) was in de 12e eeuw haar macht kwijtgeraakt aan de eerste Minamoto shōgun en de opkomende Buke (of Bushi). Deze krijgerfamilies hadden niet de adellijke titels en rang maar wel de feitelijke macht in de provincies. De machtigste onder hen waren de shugo-daimyō. Deze gouverneurs en grootgrondbezitters waren de absolute machthebbers in hun provincies en hadden grote legers tot hun beschikking.

Sekigahara

Een belangrijk jaar in de geschiedenis van Japan was 1600. De machtigste clans van Japan en hun bondgenoten hadden zich verenigd in twee legers; het oostelijke leger bestond uit daimyō loyaal aan de Tokugawa clan en het westelijk leger was loyaal aan Toyotomi Hideyori, de erfgenaam van de Taikō. In 1600 werd het conflict uitgevochten bij Sekigahara. Het oostelijk leger won en na de Slag bij Sekigahara was de Tokugawa clan oppermachtig geworden. De eerste Tokugawa Shogun, Ieyasu, werd geïnstalleerd door de Keizer van Japan in 1603. Aan het begin van deze nieuwe periode in de Japanse geschiedenis (die de Edoperiode wordt genoemd naar de nieuwe hoofdstad Edo; het huidige Tokio) zouden de Tokugawa de machtigste clan zijn. 265 jaar lang zou de Shōgun een Tokugawa zijn.

Edoperiode

De Daimyō in de Edoperiode vielen grotendeels uiteen in drie groepen:

Voorbeelden van Tōzama daimyō waren de Mōri-clan van de provincie Chōshu en de Shimazu-clan van de provincie Satsuma.

Beroemde Daimyō