De familie de Briey situeert haar middeleeuwse oorsprong in Lotharingen, bij een familie de Landres, later de Briey.
Louis Marie Hyacinthe de Briey (Thionville, 17 september 1772 - Ethe, 1 december 1833) , stamvader van alle De Brieys in de Zuidelijke Nederlanden van na 1800, was een zoon van graaf Louis de Briey, baron van Landres, kapitein in het regiment van Vierset, en Charlotte de Lespine, dame van Laclaireau of La Claireaux. Louis werd eigenaar en uitbater van hoogovens en bewoonde (zoals veel afstammelingen na hem) het kasteel van Laclaireau in Ethe. Dit kasteel ging in 1794 in de vlammen op door het toedoen van Franse revolutionairen en werd in 1852 door graaf Camille de Briey herbouwd. In 1794 emigreerde het echtpaar naar Duitsland en vestigde zich in Hanau (Hessen), waar hun eerste kind geboren werd. Einde 1795 kwamen ze naar hun geboortestreek terug. Ze woonden er een tijd in Ruette, niet ver van Ethe, en vanaf 1799 in Metz, alvorens naar Ethe terug te keren. Vanuit deze plekken kon de Briey weer de directie op zich nemen van zijn Lotharingse hoogovens. In 1816 verkreeg hij erkenning in de erfelijke adel met de titel graaf, overdraagbaar bij eerstgeboorte. Tevens werd hij benoemd in de Ridderschap van de provincie Luxemburg.
Genealogie
Het familiekasteel Laclaireau behorende aan de familie de Briey
Louis de Briey (1772-1833), trouwde in 1793 met Anne de Pouilly (1773-1799) en in tweede huwelijk in 1801 in Luxemburg met haar zus, Amélie de Pouilly (1779-1833). Uit het eerste huwelijk had hij vijf kinderen en uit het tweede drie.
Herbrand de Briey (1796-1882), officier in het Franse leger, bestuurder van hoogovens, trouwde in 1823 in Poitiers met Louise de Buzancy-Pavant (1805-1855). Ze kregen vijf zoons.
Anatole de Briey (1824-1902), lid van de algemene raad van Vienne, trouwde in 1853 in Châtillon-sur-Loing met Berthe de La Fare (1835-1888). Ze kregen een zoon en vier dochters.
Camille de Briey (1862-1944), volksvertegenwoordiger en gouverneur van Luxemburg, trouwde in 1890 in Achêne met barones Marie d'Huart (1871-1963), dochter van graaf Alfred d'Huart, burgemeester van Sovet, provincieraadslid van Namen en senator. Ze kregen twee zoons en twee dochters, met afstammelingen tot heden.
Pierre de Briey (1896-1984), gouverneur van de Evenaarsprovincie en Kivu in Belgisch-Congo, trouwde in 1934 in Brussel met Ioana Emanuela Ghika (1909-2000), dochter van Dimitrie I. Ghika, Roemeens politicus, diplomaat en historicus. Ze kregen vijf zoons en een dochter, met afstammelingen tot heden.
Édouard de Briey (1803-1879), bataillonchef in het Franse leger.
Daarnaast telde de familie tal van officieren, in het Belgisch en het Frans leger, alsook, tijdens de Tweede Wereldoorlog, zowel mannelijke als vrouwelijke leden van het verzet. Verschillende werden opgepakt. Graaf Thierri de Briey (1895-1944) bezweek in het kamp van Bergen-Belsen.
Sommigen stierven voor het vaderland tijdens oorlogsoperaties:
Guy de Briey (1902-1940), gesneuveld als piloot op 15 mei 1940.
Pierre de Briey (1882-1918), gesneuveld als officier in het Franse leger.
Guy de Briey (1914-1940), zoon van Pierre, gesneuveld als officier in het Franse leger.
Onder de leden van deze familie bevonden en bevinden zich veel academici: advocaten, magistraten, economisten, sociologen, nationale en internationale ambtenaren, geestelijken.
Literatuur
P.L. LAINÉ en Géraud MICHEL DE PIERREDON, Généalogie de la maison de Briey, Parijs, 1843 en 1911.
Géraud MICHEL DE PIERREDON, Les origines de la maison de Briey et sa filiation jusqu'à la formation de sa branche de Landres (981-1301), Parijs, 1934.
Oscar COOMANS DE BRACHÈNE, État présent de la noblesse belge, Annuaire 1985, Brussel, 1985.
Marie-Pierre D'UDEKEM D'ACOZ, Voor koning en vaderland. De Belgische adel in het verzet, Tielt, Lannoo, 2003.