De Delftse studentenstaking vond plaats op maandag 25 november en dinsdag 26 november 1940. Dit was de eerste staking bij wijze van verzet tegen de Jodenvervolging in Nederland, en mogelijk de eerste in Europa.
Op 22 november 1940 was het ontslag van de Joodse hoogleraren bekendgemaakt. De reactie hierop was dat een menigte zich de volgende dag verzamelde bij het Gebouw voor Weg- en Waterbouwkunde, omdat men verwachtte dat professor mr. A.C. Josephus Jitta daar zijn laatste college zou geven. Dat college ging niet door maar Frans van Hasselt, student en voorzitter van Het Gezelschap "Practische Studie", hield er een korte maar krachtige rede met als thema: "Zalig zijn zij die vervolgd worden om der gerechtigheid wille'.
Op zaterdag 23 november 1940 wilden Delftse studenten massaal een college van de Joodse hoogleraar Josephus Jitta bijwonen, omdat vrijdag de aankondiging was doorgekomen dat Joodse overheidsfunctionarissen en onder hen hoogleraren in opdracht van de Duitsers en zodoende wederrechtelijk ontslagen zouden worden. Het college was echter geschorst. Daarop besloten de studenten de volgende maandag en dinsdag te staken.
Directe aanleiding voor de staking was de geïmproviseerde toespraak van de 27-jarige Frans van Hasselt op zaterdag 23 november 1940. Van Hasselt, voorzitter van de studievereniging Practische Studie en student weg- en waterbouwkunde, uitte op de trappen van het toenmalige faculteitsgebouw zijn ongenoegen en verdriet over de schorsing.
De studenten waren die ochtend massaal naar het naar verwachting laatste college van Josephus Jitta gekomen. Bij de collegezaal aangekomen vonden ze alleen een briefje dat het college geen doorgang kon vinden. Na de toespraak besloten de studenten gezamenlijk om de volgende maandag een collegestaking te houden.
Op maandag 26 en dinsdag 27 november 1940 staakten 3.000 Delftse studenten. In Leiden werd deze staking op 26 november 1940 ondersteund door hoogleraar Cleveringa die met een felle rede protesteerde tegen het ontslag van door de Nazi's aangewezen zogenaamde niet-arische collega's c.q. de rassenleer van Nazi-Duitsland. In Delft was er geen sprake van steunbetuiging bij de docenten; de Academische Senaat probeerde de rel te smoren, en de bezettingsautoriteiten sloten de Technische Hoogeschool.
De daaropvolgende woensdag werd de hogeschool door de bezetter gesloten. Daarna leek alles rustig totdat op woensdag 18 december de Duitsers de Sociëteiten en bekende studentenhuizen overvielen. Oude Delft 81 werd ontruimd, veel studenten werden verhoord. De Sicherheitsdienst zocht naar de organisatoren van de staking. Die verhoren leverden niets op want die staking was niet door bepaalde mensen georganiseerd, die was spontaan ontstaan. De studenten werden weer vrijgelaten op vier na, die naar het Oranjehotel overgebracht werden, de gevangenis van Scheveningen. Twee weken later waren ook zij weer vrij.
Met de staking toonden de studenten van de Technische Hogeschool hun ongenoegen over het feit dat alle Joden in overheidsdienst geschorst werden. Deze schorsing had in Delft betrekking op de hoogleraren Hein Israël Waterman, Josephus Jitta en Van Dantzig, privaatdocente Biegel en assistent Schulz.
De marechaussee werd naar Delft gestuurd, maar die trof alleen uitgestorven gebouwen aan. Enkele dagen na de staking werd Frans van Hasselt opgepakt door de Duitsers. Hij werd overgebracht naar het concentratiekamp Buchenwald, waar hij op 10 september 1942 overleed.
Op 15 april 1941 werd de hogeschool heropend onder streng Duits toezicht. Ook in de daaropvolgende oorlogsjaren was er sprake van fel verzet van Delftse studenten en docenten.