Deltavliegen

Deltavlieger achter sleeptoestel, vlak na de start vanaf vliegveld Stadskanaal in 2026.

Deltavliegen is zowel een sport als een vorm van ongemotoriseerde luchtvaart. Andere benamingen voor deze sport zijn: zeilvliegen (tot 2014 was dit de officiële benaming voor deze vorm van luchtvaart), of het Engelse hanggliding (niet bekend is of deze benaming komt uit het Duits, waar men vanaf een "Hang" (helling) vloog, of omdat je een deltavlieger bestuurt doordat je eronder hangt). In het Duits heet het drachenfliegen, in het Frans deltaplane of vol libre. De termen "hanggliding" en "vol libre" worden ook wel gebruikt voor het jongere broertje van deltavliegen, parapente of schermvliegen.

Vlak na loskomen van de 'dolly' tijdens sleepstart.

Internationaal wordt deltavliegen georganiseerd door de CIVL (Commission Internationale de Vol Libre), een afdeling van de FAI (Federation Aeronautique Internationale). Door de CIVL is zeilvliegen in vijf klassen verdeeld, waarbij de klassering betrekking heeft op type toestellen waarmee gevlogen wordt. Zo vormt deltavliegen klasse 1, parapente valt onder klasse 3, rigids (niet-flexibele vleugels die gestuurd worden middels beweegbare stuurvlakken) zijn klasse 2 en swifts en dergelijke (als klasse 2 maar met de piloot niet hangend in een harnas, maar zittend in een cockpit-achtige, al dan niet gestroomlijnde kooi) zijn klasse 5.

In Nederland wordt deltavliegen georganiseerd door de afdeling Deltavliegen van de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart (KNVvL). Evenzo groepeert de Belgische Vrije Vlucht Federatie de beoefenaars van deltavliegen en parapente in België. De beide koepelorganisaties verzorgen het beheer van deze sporten (vliegplaatsen, brevetten, examens), organiseren Nationale Kampioenschappen en vertegenwoordigen de sporten op internationaal vlak.

De sport wordt zowel recreatief als competitief beoefend. In Nederland wordt deltavliegen door enkele honderden piloten beoefend; ook in België is een actieve deltavlieggemeenschap aanwezig. Zowel in Nederland als in België kunnen aspirant-deltavliegers een opleiding volgen bij erkende vliegscholen en een brevet behalen. Door het ontbreken van bergen vindt deltavliegen hoofdzakelijk plaats met behulp van een lier- of sleepstart. Voor bergvluchten en lange overlandvluchten wordt veel gevlogen in het buitenland.

Soaren aan de Nederlandse kust.
Deltavlieger onderweg naar landingsterrein in Chamoux, Frankrijk

Beschrijving

Bioscoopjournaal uit 1978 met aandacht voor de zeilvliegsport.

Bij de sport deltavliegen (vroeger zeilvliegen) ligt de piloot in een harnas dat bevestigd is onder een deltavlieger. Een deltavlieger is geen vlieger, maar een zeer goed bestuurbaar zweefvliegtuig. Dit zweefvliegtuig had tot aan de jaren tachtig van de twintigste eeuw een sterk driehoekige vorm; men sprak daarom wel over delta's of deltavleugels. De vorm van de huidige generatie vleugels gaat steeds meer lijken op die van een traditioneel zweefvliegtuig, wat aerodynamisch gunstiger eigenschappen heeft.

Delta's zijn snel samen te vouwen en makkelijk transporteerbaar op de lastdragers van een personenauto. In bergachtige gebieden zijn de omstandigheden veelal beter geschikt om langere vluchten van enkele uren op grotere hoogten (vaak enkele duizenden meters) te maken. Hierdoor wordt het vliegen voor de recreant-piloot vaak beoefend tijdens een gecombineerde vakantie in de bergen. Een delta maakt bij die langere vluchten net als de vogels en traditionele zweefvliegtuigen gebruik van hellingstijgwind en thermiek. Vliegen met een deltavlieger geeft de piloot een vogelmens-ervaring en een vrij uitzicht over het landschap om hem heen, alsmede een betrekkelijk gedoseerde fysieke belasting die na een vlucht een gezonde voldoening geeft, vergelijkbaar met een bezoek aan de sportschool.

Aan de fysieke gesteldheid van de aspirant-beoefenaar worden geen bijzondere eisen gesteld anders dan een goede gezondheid. Het kunnen trekken van een sprintje en een 'beetje' uithoudingsvermogen, te vergelijken met tien minuten joggen zonder pauzes, is indicatief voor de hoeveelheid benodigde aanvangsconditie. Toetsingen van deze aanvangsgezondheid, of beter gezegd de sportkeuring, kan in Nederland verricht worden door bijvoorbeeld het Sportmedisch Adviescentrum met vestigingen verspreid over het hele land.

Het verantwoord en veilig starten, besturen en landen van een delta vergt zowel een fysieke als mentale inspanning waarvoor instructie nodig is. Er zijn verschillende scholen in Nederland en België die opleidingen verzorgen. Kosten van de uitrusting en lessen zijn vrijwel overal vergelijkbaar. Om zelfstandig zonder begeleiding te mogen vliegen, moet een vlieger beschikken over een geldig brevet. Dit wordt verkregen na het met goed gevolg afleggen van theoretische en praktische examens. Om de vliegvaardigheid op peil te houden, is regelmatige vliegervaring noodzakelijk. Tevens dient een piloot jaarlijks zijn reddingsparachute, die hij met zich mee dient te dragen bij vluchten op meer dan 100 meter hoogte te laten herpakken en controleren onder begeleiding van of door een deskundige.

In België zijn alle vliegtuigen die "foot-launched" gestart kunnen worden, zoals deltavliegtuigen en paragliders, niet gereglementeerd. Bijgevolg kan er overal in België vrij gevlogen worden in niet-gecontroleerde gebieden indien men toestemming heeft van de eigenaars van het terrein waar men start en landt. Verder is het aan te raden om verzekerd te zijn bij de Belgische vrijevlucht federatie die op hun beurt wèl verschillende regels handhaaft voor verschillende toelatingen.

Startmethoden

Zoals geldt bij alle vliegtuigen, hebben delta's snelheid nodig. Delta's vliegen al vanaf een 20 km/u relatieve wind (wind ten opzichte van de vleugel). Bij de voetstartmethode geeft de piloot door eigen inbreng - lopend en rennend van een helling - het toestel de benodigde vliegsnelheid. Buiten de "foot-launched" start zijn er methoden om vanaf vlak terrein te starten. Dit zijn het laten opslepen aan een kabel met een vaste lier of met behulp van een ultralight-vliegtuig (sleeptoestel). Eenmaal veilig en hoog in de lucht wordt de sleepkabel losgekoppeld en kan er hoogte gewonnen worden door gebruik te maken van thermiek. In bergachtige gebieden of bij duinen kan naast thermiek gebruik worden gemaakt van hellingstijgwind om hoogte te winnen.

Startlocatie (weidestart) in Chamoux, Frankrijk in 2025.
Controleren van de bevestiging aan de vleugel, de 'hangcheck'.





Start vanaf vlonder Sapenay, Frankrijk (zomer 2025)
Landing Chamoux, Frankrijk (zomer 2025)


Door het ontbreken van hogere bergen in de Benelux wordt voornamelijk de lierstart en de sleepstart toegepast. Bij een lierstart wordt de deltavlieger met behulp van een grondlier op hoogte gebracht, terwijl bij een sleepstart het toestel wordt opgesleept achter een ultralicht vliegtuig. In beide gevallen wordt gebruikgemaakt van een externe krachtbron om de benodigde starthoogte te bereiken, vergelijkbaar met de startmethoden in het zweefvliegen.

Bij de lierstart wordt de deltavlieger met behulp van een kabel die op een trommel wordt ingehaald omhooggetrokken. Eenmaal op hoogte wordt de kabel door de piloot ontkoppeld en gaat deze op zoek naar thermiek of andere factoren waardoor de vluchtduur verlengd kan worden. Het is mogelijk om dit lieren trapsgewijs te doen. Daartoe vliegt de piloot met de kabel weer terug naar de startplek, waar hij omkeert en vanaf die positie en hoogte opnieuw naar de lier wordt getrokken: "traplieren". Met deze liertechniek kan met gebruik van een relatief klein lierveld toch een flinke hoogte worden bereikt, waarbij 750 meter ontkoppelhoogte heel gewoon is. Het wereldrecord lieren is al jaren ongeveer 3000 m.


Lierstart in Nieuw-Schoonebeek in 2025.
Moment na ontkoppelen van de kabel.







Lierstart in Vlijmen (winter 2026)
Landing na lierstart in Vlijmen (winter 2026)

De sleepstart is een heel efficiënte startmethode. Net zoals bij de zweefvliegers kan men achter een ultralight vliegtuigje naar stijgwindgebieden gebracht worden en zo dus in de thermiek ontkoppelen en verder vliegen. Een nadeel van deze startmethode is dat het startterrein aan nog zwaardere eisen moet voldoen dan bij de lierstart, vanwege het gebruik van een gemotoriseerd sleepvliegtuig, terwijl de inzet van een sleeptoestel extra kosten met zich meebrengt.

Voorts kent het deltavliegen de startmethode met een kleine hulpmotor. Omdat de motor klein en licht is, is hij hoofdzakelijk bedoeld voor het winnen van hoogte. De start en landing gebeuren net zoals met een gewone deltavlieger: te voet en (liefst) zonder wielen. De "delta-met" of "snordelta", zoals hij in de volksmond genoemd wordt, onderscheidt zich van de reguliere ultralights door zijn lage gewicht, zijn lage snelheid en de kleine ruimte die er nodig is voor het starten en landen, ongeveer gelijk aan de normale deltavlieger.

Er is een duidelijk verschil tussen paragliders en deltavliegers, zowel op technisch als op aerodynamisch vlak, maar ook de paraglider kan zich, behalve van de sleepstart, bedienen van de bovenstaande startmethodes.

Ontwikkelingen

Het deltavliegen heeft zich vanaf de jaren 50 in de twintigste eeuw snel ontwikkeld. De eerste deltapiloten waren pioniers en de sport stond bekend als een extreme sport. Maar de immer voortschrijdende techniek en ontwikkeling van de deltavlieger, samen met de voortschrijdende kennis en de gedegen opleidingen voor de deltapiloten hebben de sport veel veiliger gemaakt; het risico is nu vergelijkbaar met motorrijden.

De technische kwaliteitsverbeteringen van het materiaal hebben bijvoorbeeld de prestaties van het toestel enorm beïnvloed: de glijhoek van een wedstrijdtoestel is in vergelijking met enkele decennia geleden ruim verdubbeld, waardoor het toestel over een grotere horizontale afstand zweeft per meter hoogteverlies. Het grote voordeel hiervan is dat het toestel 'zuiniger' vliegt, grotere afstanden kan overbruggen en minder hoogte verliest bij het oversteken van gebieden zonder opwaartse luchtstromen. Maar ook de recreatieve deltavliegers en de lestoestellen zijn enorm verbeterd en niet te vergelijken met de eerste toestellen uit de pioniersfase. Voor iedere piloot is er een toestel dat het beste bij hem of haar past.

De techniek blijft zich ontwikkelen, wat zowel de prestaties als de veiligheid ten goede komt.  

Galerij

Lieren in Vlijmen in 2026.
Lieren in Nieuw-Schoonebeek in 2025.



Landing na sleepstart in Stadskanaal (zomer 2026)
Sleepstart in Stadskanaal (zomer 2025)







Sleeptoestel 'Dragonfly' op de startbaan van vliegveld Stadskanaal (zomer 2026)
Gereed voor start vanaf vlonder Sapenay, Frankrijk (zomer 2025)





Lieren in Vlijmen in 2026.
Startplaats op Monte Pizzocolo, Italië (winter 2026)