

Een dijkdoorbraak is het doorbreken van een dijk. Deze kan veroorzaakt worden door instabiliteit van het grondlichaam, overloop of golfoverslag wat leidt tot erosie van het binnentalud. Zandmeevoerend welwater dat zich een weg onder een dijk doorbaant is de oorzaak van het zogenoemde pipingsverschijnsel. Een dijkdoorbraak wordt niet noodzakelijk veroorzaakt door hoogwater op zee, rivier of meer, maar kan ook het gevolg zijn van bijvoorbeeld zettingsvloeiing van de ondergrond bij lage waterstanden of uitgedroogd veen bij veenkaden zoals in Wilnis gebeurde. In het verleden werden dijken vaak ook opzettelijk doorbroken als strategische factor bij oorlogsvoering. Door deze militaire inundaties werd de toegang tot het overstroomde gebied voor de vijand sterk bemoeilijkt. Als de dijken niet onmiddellijk werden hersteld en de getijdenwerking jarenlang vrij spel kreeg konden er naast de rivieren kreken en geulen ontstaan.
Op de plaats van een dijkdoorbraak werd er door de sterke kolkwerking van het instromende water vaak een vrij diepe plas gevormd: een weel of wiel. In de mate van het mogelijke werden de dijkdoorbraken onmiddellijk hersteld. In het verleden werd er tussen de twee dijkuiteinden een kraag aangelegd omheen het ontstane wiel. Een kraagdijk, ook wel of vingerling of omringdijk genoemd, is een korte hersteldijk in de vorm van een halve cirkel. Het zand dat hiervoor nodig was, werd vlakbij uitgegraven waardoor de zgn. dijkputten ontstonden. Andrere grote doorbraken werden hersteld door een geheel nieuw dijk aan te leggen.
De gevolgen van een dijkdoorbraak zijn afhankelijk van het achtergelegen gebied en de waterstand op het buitenwater.