Verkleinwoord

Een verkleinwoord of diminutief is een woord waarvan een toegevoegde suffix aangeeft dat het begrip dat ermee wordt aangeduid als kleiner dan het grondwoord moet worden gezien. De woordbetekenis blijft meestal ongewijzigd, maar daar zijn uitzonderingen op.

Regels

Verkleinwoorden worden in standaard-Nederlands gevormd door een vijftal achtervoegsels, dit zijn: -je, -tje, -etje, -pje en -kje. Welk achtervoegsel wordt toegevoegd aan het grondwoord, om tot het verkleinwoord te komen, is doorgaans afhankelijk van de laatste klank van het grondwoord en in een aantal gevallen van de klinker die voorafgaat aan de laatste letter van dat grondwoord.

Suffix IPA Eindletters Opmerkingen Voorbeeld Diminutief
-je t d / t bad badje
f f straf strafje
ɣ / χ g / ch dag dagje
k k dak dakje
p p schaap schaapje
s s kaas kaasje
ks x fax faxje
-tje aː a Eindigt op lange klinker vla vlaatje
eː e zee zeetje
i / iː ie / y knie knietje
oː o / eau bureau bureautje
y u menu menuutje
l l Eindletter voorafgegaan door lange klinker paal paaltje
n n baan baantje
r / ɾ / ʁ r haar haartje
-etje l l Eindletter voorafgegaan door korte klinker bal balletje
m m dam dammetje
n n kan kannetje
r / ɾ / ʁ r kar karretje
ŋ ng slang slangetje
-pje m m Eindletter voorafgegaan door lange klinker boom boompje
raam raampje
zeem zeempje
-kje ɪŋ ing Wanneer een zelfstandig naamwoord meer dan één lettergreep bevat en de klemtoon ligt op de lettergreep voor de -ing-uitgang zal de diminutiefsuffix -kje zijn. De ng zal worden vervangen door het cluster -nkje. woning woninkje
mening meninkje
pudding puddinkje
haring harinkje

Zelfstandig naamwoord

In het Nederlands wordt een verkleinwoord gevormd door achter het woord een suffix van het type -je, -tje, -mpje, -pje of -etje toe te voegen. Zuid-Nederlandse vormen zijn -kje, -ke, eke, -ske of -ie, afhankelijk van het naamwoord.

In enkele gevallen krijgt een woord in het Nederlands zowel een verkleiningsachtervoegsel als een klinkerverandering.

Een verouderd verkleiningsachtervoegsel is -lijn, zoals in vogelijn, wat men in dichterlijke taal nog weleens tegenkomt.

In het Nederlands zijn alle verkleinwoorden onzijdig.

Bijvoeglijk naamwoord/bijwoord

Vooral zelfstandige naamwoorden worden geregeld verkleind, maar soms gebeurt dit ook met bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden.

Het bijvoeglijk naamwoord wordt door de verkleining gesubstantiveerd. Een bijwoord in verkleinde vorm blijft daarentegen tot dezelfde klasse behoren, waarbij echter standaard een -s wordt toegevoegd.

Verschillende betekenissen

Sommige woorden hebben twee mogelijke verkleinde vormen, elk met een eigen betekenis of ander contextueel gebruik. Een klein pad is bijvoorbeeld een paadje, maar van wie in de war is, wordt ook wel gezegd dat die van het padje is. Het woord gat heeft naast de gebruikelijke verkleinde vorm gaatje ook de vorm gatje (waarmee meestal naar de anus wordt verwezen).

Verkleinwoorden zonder grondvorm

Er zijn ook verkleinwoorden die alleen als zodanig voorkomen, of waar het grondwoord een heel andere betekenis heeft of zelf (inmiddels) ongebruikelijk is.

Hetzelfde geldt voor verkleinwoorden in bepaalde staande uitdrukkingen, zoals kooltje vuur en boontje komt om zijn loontje.

Aparte betekenis

Soms krijgt een verkleinwoord een eigen betekenis, die zich zelfstandig van een niet verkleind woord ontwikkelt.

tientje (geld)
ongelukje (= ongewenste gebeurtenis, bijvoorbeeld zwangerschap, of wanneer men te laat op het toilet is)
afrikaantje (plantensoort)
spionnetje (spiegel aan de buitenkant van een raam)
maantje (het wit van je nagel)
meisje (jonge vrouw)
viooltje (bloem)
beetje (niet veel of enigszins); de oude betekenis hapje is te zien in de dichtregel Een beetje voor het vee, een treedje voor de jagers (Constantijn Huygens, Hofwijk, 1653)
snoep is snoepgoed, een collectivum
mesje (vervangbaar lemmet, bijvoorbeeld van scheermes en Stanleymes)

Geen verkleining

Een verkleinwoord hoeft niet altijd letterlijk op een verkleining te duiden:

Belangrijker is nog, dat verkleinwoorden vaak een affectieve functie hebben, bijvoorbeeld schatje, moppie, groetjes, pareltje, muiltje, huisje; ook bij collegaatje speelt dit een rol: een gehate vrouwelijke collega zal niet gauw als collegaatje aangeduid worden.

Andere talen

Duits

In het Duits eindigen de verkleinwoorden meestal op -chen (het equivalent van -je) of op -lein, wanneer het grondwoord op /ç/ of /χ/ eindigt. Zo is het gebruikelijke verkleinwoord van Baum ‘boom’ Bäumchen ‘boompje’, maar moet dat van Strauch ‘struik’ altijd Sträuchlein ‘struikje’ zijn; dit ter vermijding van een dubbele ‘ch’-klank. In het algemeen worden verkleinwoorden in het Duits minder frequent gebruikt dan in het Nederlands, maar het gebruik ervan is in principe steeds morfologisch mogelijk. Vaak kan een verkleinwoord ook een humoristisch effect hebben. De regel is dat een verkleinwoord waar mogelijk altijd een umlaut teweegbrengt. Dit is namelijk een productieve regel, die ook op nieuwvormingen wordt toegepast.

Waar umlaut niet mogelijk is, volgt eenvoudigweg een aanhechting van -chen of -lein. De klinker waarop umlaut wordt toegepast, bevindt zich best zo dicht mogelijk bij het verkleinsuffix: Gärtenchen en Äbendchen bijvoorbeeld klinken hoogst ongewoon en zullen doorgaans een ironisch effect hebben. Om dichterlijke of prosodische redenen kan men -lein gebruiken waar het normalerwijze -chen zou zijn — omgekeerd echter niet.

Ongebruikelijk is umlaut bij eigen- of koosnamen: Hugochen, Mariachen en Jungchen zijn gangbaar, Hugöchen, Mariächen en Jüngchen hebben een humoristische uitwerking.

Afrikaans

Het Afrikaans, dat uit het 17e-eeuwse Nederlands is voortgekomen, is bijna identiek aan het Nederlands in het gebruik van verkleinwoorden. De meest opvallende verschillen zijn dat Afrikaanse verkleinwoorden op -ie eindigen in in plaats van -e zoals in het Nederlands (vergelijk: "bietjie" en "beetje", "mandjie" en "mandje") en dat in het Afrikaans bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden geen verkleinwoorden kennen. Verkleinwoorden worden zeer vaak gebruikt in Afrikaans, nog vaker dan in het Nederlands.

Frans

In het Frans eindigen de verkleinwoorden op -et of -ette, -ot of -otte en -eau of -elle.

Italiaans

In het Italiaans eindigen de verkleinwoorden op -ina / -ino, -etta / -etto en -ella / -ello. Minder gebruikelijk zijn de uitgangen -accio of -uccio.

Spaans

In het Spaans eindigen de verkleinwoorden onder meer op -ito/-ita of -illo/-illa. Soms wordt een c tussengevoegd: Carmencita.

Ook bijvoeglijke naamwoorden kunnen verkleind worden: pequeñito, letterlijk ‘kleintjes’. Het zelfstandige verkleinwoord bonito ‘leuk’ is een versteende verkleiningsvorm van bueno ‘goed’.

Engels

In het Engels wordt weinig gebruikgemaakt van verkleinwoorden. De meeste verkleinwoorden zijn versteende vormen. De (bij benadering) zes achtervoegsels die als formans voor een verkleinwoord kunnen optreden, zijn meestal improductief (er kunnen geen nieuwe woorden meer mee worden gemaakt). Daarom valt te verdedigen dat het Engels de minste verkleinwoorden heeft van alle West-Germaanse talen. Het gebruik ervan neemt bovendien in hedendaags Engels verder af.

Diminutieven worden gevormd met de volgende achtervoegsels:

Deze verkleiningsachtervoegsels worden doorgaans toegevoegd aan zelfstandige naamwoorden, maar ook andere woordsoorten komen in aanmerking (dearie, weakling ‘zwakkeling’ - bijvoeglijke naamwoorden; underling ‘ondergeschikte, handlanger’ - bijwoord of voorzetsel en beetle is verwant aan een werkwoord). Dit resulteert in een verkleinwoord dat uiteraard weer wél een zelfstandig naamwoord is.

Van deze zes achtervoegsels is eigenlijk alleen -y ~ -ie nog productief: met de andere verkleinsuffixen worden geen nieuwe vormen meer gemaakt, tenzij om een komisch of anderszins opvallend effect te bereiken. De meeste van deze achtervoegsels kunnen overigens ook een andere werking hebben dan een verkleinende: -ette kan het vrouwelijk geslacht aanduiden, -ling drukt soms minachting uit, -y familiariteit.

Zie ook