| Orde der karmelieten | ||||
|---|---|---|---|---|
| Ordo Carmelitarum | ||||
Wapen van de Karmelietenorde | ||||
| Basisgegevens | ||||
| Prior generaal | Fernando Millán Romeral | |||
| Regel | Regel van Sint Albertus | |||
| Motto Latijn | Zelo zelatus sum pro Domino Deo exercituum | |||
| Motto Nederlands | Met vuur ben ik vurig geweest voor de Heer, God der Heerscharen | |||
| Gesticht | late 12e eeuw | |||
| Stichter | Berthold van Calabrië | |||
| Vernoemd naar | Karmelgebergte | |||
| Website | http://www.ocarm.org/ | |||
| ||||

De Orde van de Karmelieten (Karmelbeweging of Ordo Carmelitarum, O.Carm.; vrouwelijke vorm: karmelietessen) is een rooms-katholieke, contemplatieve bedelorde, die zich net zoals de franciscanen, dominicanen en augustijnen onderscheidt van andere monastieke orden door in plaats van de individuele armoede de collectieve armoede te belijden. Voor hun onderhoud zijn de leden afhankelijk van hun eigen arbeid en van aalmoezen.
De karmelieten kennen hun oorsprong rond het jaar 1150, op de berg Karmel bij de havenplaats Haifa in Israël. Deze berg, die verbonden is met de profeet Elia, is lange tijd een verblijfplaats voor talrijke kluizenaars die in navolging van hem een aan God toegewijd leven leidden. Naast een hoogtepunt in de vierde tot de zevende eeuw kent het kluizenaarsleven daar in de elfde en twaalfde eeuw een ware renaissance. In de twaalfde eeuw kwamen verscheidene pelgrims onder leiding van Berthold van Calabrië en Albertus van Jeruzalem samen 'nabij de bron van Elia' om als heremieten te leven. Tussen de kluizenaarscellen werd een kapel ter ere van Maria gebouwd. Vanaf dat moment noemen de heremieten zichzelf 'Broeders van de heilige Maria van de Berg Karmel'.
Om 'juridische stabiliteit' te verwerven, richt de groep heremieten zich tot Albert Avogadro (1150-1214). Hij staat aan de basis van de officiële leefregel van de karmelieten. Armoede en handenarbeid zijn volgens deze leefregel het belangrijkst. Wat echter karakteristiek is voor de karmelieten, is het grote belang dat ze hechten aan het in stilte uitgevoerde gebed. In 1235 worden de karmelieten, onder het dreigende gevaar van de Saracenen, gedwongen de berg Karmel te verlaten. De meesten trokken naar Europa.
| Deel van de serie over kloosters en het christelijke monastieke leven | ||
|---|---|---|
De veertiende eeuw is de Gouden Eeuw voor de Orde van de Karmelieten; zowel op intellectueel als op spiritueel vlak zijn er ontwikkelingen. Er worden veel nieuwe kloosters gesticht en er wordt aandacht besteed aan de intellectuele vorming van de leden. Na deze bloei kende de Karmel onder invloed van de grote pestepidemie (1347-1354) en van het Westers Schisma (1378-1417) een periode van verval vanaf het einde van de veertiende eeuw. Ontstane misbruiken doen al spoedig verlangen naar een hervorming, die onder meer tot stand komt onder Theresia van Ávila (1515-1582). De pijlers van de hervorming zijn armoede, gebed en afzondering.
In 1568 ontstaat het eerste klooster van de ongeschoeide karmelieten (Ordo Carmelitarum Discalceatorum, OCD). Vanaf dit ogenblik is er een onderscheid tussen geschoeide en ongeschoeide karmelieten.
De Sint-Annakerk in de Italiaanse stad Genua was in 1584 de eerste stichting buiten Spanje van de Ongeschoeide Karmelieten. In dat jaar, keerde pater Nicolaas van Jezus en Maria Doria terug naar zijn geboorteland Republiek Genua, samen met een groep medebroeders, met de bedoeling een klooster te stichten in Rome. Door de tegenstand van de nuntius, ten tijde van paus Gregorius XIII (paus 1572-1585), besloot hij in Genua te blijven. Daar stichtte hij met financiële hulp van de adellijke families Doria, Cattaneo, Spinola en Pallavicini een klooster..
Op het einde van de achttiende en in het begin van de negentiende eeuw kennen de karmelieten een dieptepunt in hun geschiedenis, veroorzaakt door externe factoren. Door de Franse Revolutie, de verspreiding van nieuwe ideeën en door de politiek van Napoleon werd aan de orde een grote slag toegediend. Het resultaat van deze vervolgingsperiode was dramatisch voor de karmelieten. Kloosters en kerken werden gesloten. Pas in het midden van de negentiende eeuw of later kwamen er nieuwe stichtingen. In Nederland en België verdwenen de geschoeide karmelieten bijna volledig. Alleen in Boxmeer en in Vilvoorde kon de orde zich handhaven en in een paar steden bleven enkele ongeschoeide karmelieten werkzaam, zoals in Brugge, Gent en Leuven.
In het Oost-Vlaamse Moerzeke, in de gemeemte Hamme, werd een Slotklooster van ongeschoeide karmelietessen gesticht, gebouwd in 1974-1976.
Behalve Theresia van Ávila en Teresa van Los Andes (1900-1920) zijn vooral de heiligen Johannes van het Kruis (1542-1591), Theresia van Lisieux (1873-1897) en Edith Stein (Theresia-Benedicta van het Kruis, 1891-1942) bekende karmelieten. Daarnaast behoorde ook Louise de La Vallière (1644-1710), een van de minnaressen van Lodewijk XIV, in haar latere leven tot deze orde. Een bekende Nederlandse karmeliet is de in 2022 heilig verklaarde Titus Brandsma (1881-1942),die op 17 september 1898 intrad. Vanuit Nederland wordt tevens een proces tot zaligverklaring van de karmelietes Josephine Koning (1868-1931) gevoerd. Aartsbisschop Antonio Intreccialagli (1852-1924) werd eerbiedwaardig verklaard. De mysticus en hebraïcus Jean Cartigny (1520-1578) was prior van het karmelietenklooster in Brussel.
Noten
Referenties