Een dode stelling is een situatie die in het schaakspel kan voorkomen. Het betekent dat voor beide spelers de mogelijkheid ontbreekt om de ander mat te zetten, zelfs als de tegenstander slecht speelt. De partij is reglementair met remise geëindigd op het moment dat de dode stelling ontstaat. Het is formeel niet nodig om die remise te claimen. Hierdoor wordt vermeden dat een speler de tijd rekt en vervolgens toch de winst door tijdsoverschrijding opeist. De partij is ook remise als pas na het vallen van de vlag wordt ontdekt dat er een dode stelling was.
Voorbeelden:
Stellingen met onvoldoende materiaal zijn snel te herkennen. Het zijn:
Er is ook sprake van een dode stelling als elk vervolg onvermijdelijk resulteert in pat of in een van de hierboven genoemde stellingen.
Er zijn matstellingen mogelijk met de volgende combinaties, en die combinaties vormen dus geen dode stelling, hoewel mat alleen mogelijk is na een blunder van de tegenstander:
Men spreekt in zo'n geval wel van potremise. Doorspelen is toegestaan en dan bestaat dus de mogelijkheid dat een van de spelers remise weigert in de hoop dat de ander de tijd overschrijdt en alsnog verliest. Het is echter niet geoorloofd dat de partij door tijdsoverschrijding gewonnen wordt door de speler die alleen de koning heeft, en die dus onmogelijk door mat kan winnen (zie Einde van een schaakpartij). De arbiter moet dit voorkomen door de partij met remise te beëindigen.