Een proost (lat: praepositus) is een geestelijk leider van een rooms-katholieke instelling, tegenwoordig vooral in Vlaanderen en minder in Nederland. Het woord is etymologisch verwant aan 'provoost'. Men vindt de ambtstitel in uiteenlopende organisaties en bevoegdheden:
- in Belgiƫ: een priester en geestelijke begeleider die een katholieke organisatie inspireert of voor het spirituele aspect van de vereniging zorgt. Het is niet uitzonderlijk dat een katholieke jeugdbeweging (zoals KSA, Chiro, KAJ, de vroegere VVKSM), een vakbond (bijvoorbeeld ACV), een volwassenenorganisatie (zoals Boerenbond, KAV, KWB, OKRA), een werkgeversorganisatie (bijvoorbeeld VKW), een belangenorganisatie (bijvoorbeeld KVG), een turnkring of een studentenclub zijn eigen proost heeft
- in Nederland kwam deze functie van proost ook voor, maar gewoonlijk een andere aanduiding: bij studentenverenigingen werd hij moderator genoemd en bij de Krijgsmacht en bij de Verkenners, de katholieke padvinderij (thans scouting), werd de functie van geestelijk verzorger aangeduid met aalmoezenier
- het hoofd van een kapittel wordt proost of primus genoemd; de voorzitter van een domkapittel of kathedraal kapittel wordt domproost genoemd
- een functie, in een tijd van priestergebrek, waargenomen door leken, die dan bijvoorbeeld "volwassenbegeleider" of "pastoraal verantwoordelijke" worden genoemd
- een priester voor een geestelijke instelling die zelf geen priesters heeft: zoals een priorij van kloosterzusters of een wereldlijk kapittel (de instelling heette dan een proosdij)
- een abt van een mannenklooster der premonstratenzers of norbertijnen werd in de middeleeuwen doorgaans 'proost' genoemd
- een plaatsvervanger van een leider van een geestelijke gemeenschap, wiens institutionele zetel op een andere plaats is gevestigd, bijvoorbeeld een vervanger van een abt die niet in zijn eigen abdij zetelt.
- een aalmoezenier met een bredere gemeenschapstaak, bijvoorbeeld als priester in een burgerlijke organisatie die daar als geestelijk leidsman optreedt, zoals in een gevangenis, een legereenheid of een ziekenhuis
- een deken van een decanaat of proosdij in de Groninger Ommelanden en westelijk Oost-Friesland tot het einde van de zestiende eeuw. De meeste dekanaten (met uitzondering van Humsterland, Baflo, Hatzum en Weener) waren particulier eigendom en werden bestuurd door wereldlijke proosten uit adellijke families. In het Verdrag van Coevorden van 1530 werd echter vastgelegd dat hun taak zou worden waargenomen door kerkelijke commissarissen.