| Berkenkielwants | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| imago | ||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Elasmostethus interstinctus (Linnaeus, 1758) | ||||||||||||||
| nimf | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De berkenkielwants (Elasmostethus interstinctus) is een wants uit de familie kielwantsen (Acanthosomatidae). De soort werd door Carl Linnaeus vermeld in zijn Systema naturae uit 1758.
De oude Nederlandse naam ‘berkenschildwants’ leverde veel verwarring op met de Elasmucha grisea, die ook wel berkenwants werd genoemd, terwijl ze ook nog tot dezelfde familie behoorden.
De berkenkielwants heeft een enigszins vlak schildvormig lichaam, waarvan de basiskleur groen is, met lichtgroene poten. De antennes zijn meestal groen en worden naar het uiteinde donker. Over de voorvleugels (hemelytra) loopt langs het schildje (scutellum) een brede rode band, die afbuigt langs het membraan (doorzichtige deel van de voorvleugel). Het schildje is groen met een rode vlek aan de bovenkant. De onderkant loopt spits toe. Aan weerszijden van het membraan zitten vaak twee donkere vlekjes. De lengte is 8,5 – 11 mm. De nimfen zijn groen met rood op het achterlichaam. De heel jonge nimfen hebben een donkere kop en halsschild.
Vooral in het noordelijk- en middengedeelte van Europa is het een algemene wants, in het zuiden is hij veel zeldzamer. Naar het oosten toe is hij verspreid tot in Klein-Azië en Siberië. Ook in Noord-Amerika komt hij voor.
De soort leeft in berken (ruwe berk (Betula pendula), zachte berk (Betula pubescens)) en elzen (zwarte els (Alnus glutinosa), witte els of grauwe els (Alnus incana)). Slechts zelden zie je de volwassen wantsen op andere bomen. Behalve aan de bladeren zuigen nimfen en volwassen wantsen vooral aan de rijpende zaden. De volwassen wants overwintert in de strooisellaag en de paring vindt plaats in het voorjaar. In mei en juni worden er maximaal 24 eieren gelegd op de bovenkant van de bladeren.