Elbertus Leoninus

Elbertus Leoninus
Centuria consiliorum, titelpagina van de uitgave uit 1584

Elbertus Leoninus, geboren als Elbert (of Albert) de Leeuw en vanwege zijn rijzige gestalte vaak aangeduid als Longolius, (Zaltbommel, 1519/1520 – Arnhem, 6 december 1598) was een Nederlands jurist en politicus. Hij was van 1548 tot 1580 hoogleraar rechtsgeleerdheid aan de Universiteit Leuven. In de woelingen die leidden tot het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog bleef Leoninus politiek neutraal en speelde hij een bemiddelende rol tussen het legitieme gezag en de opstandige Nederlandse gewesten. Uiteindelijk koos hij in 1580 voor de opstandelingen. Hij nam ontslag als hoogleraar en aanvaardde in 1581 een aanstelling tot kanselier van Gelderland. In religieuze zin bleef Leoninus zijn zelfgekozen middenpositie tussen de Kerk van Rome en de Reformatie trouw tot aan zijn overlijden in 1598.

Opleiding

Leoninus, naar eigen zeggen geboren uit welgestelde ouders, ontving een humanistische opleiding. Hij studeerde eerst te Utrecht aan de Hiëronimusschool van Georgius Macropedius en vervolgens te Emmerik aan een gymnasium onder het rectoraat van Matthias Bredenbach. Na het afsluiten van zijn vooropleiding studeerde hij letteren aan het Collegium Trilingue van de Universiteit Leuven en aansluitend aan dezelfde universiteit rechtsgeleerdheid, onder meer bij de hoogleraren Johannes Hazius, Dominicus Cakaert en Gabriël Mudaeus. Hij behaalde zijn licentiaat in de rechten in 1547 en verbleef daarna een jaar in Atrecht om zich te bekwamen in de Franse taal. In 1548 keerde Leoninus terug naar Leuven waar hij in het huwelijk trad met Barbara de Haze, dochter van een van zijn inmiddels overleden leermeesters.

Loopbaan

Twee dagen na zijn huwelijk werd Leoninus te Leuven benoemd tot hoogleraar in het canoniek recht. Op 20 mei 1550 promoveerde hij bij Gabriël Mudaeus tot doctor in de rechten en tien jaar later volgde hij zijn promotor op als professor primarius legum (voornaamste hoogleraar in de rechten), een functie die hij bleef vervullen tot zijn afscheid in 1580. Hij had aan de universiteit een belangrijk aandeel in de totstandkoming van drie zogeheten ‘koninklijke’ leerstoelen in de rechtsgeleerdheid. Samen met zijn Friese vriend Viglius ab Aytta Zuichemus bepleitte Leoninus bij landsheer Filips II met succes de instelling van een drietal leerstoelen te Leuven die algemeen inleidend onderwijs in het Romeins en canoniek recht aanboden aan eerstejaars studenten.

Leoninus werd na zijn benoeming tot hoogleraar te Leuven door vele gezagsdragers en overheidspersonen als juridisch raadgever geraadpleegd en als bemiddelaar ingeschakeld. Personen uit beide partijen in de Tachtigjarige Oorlog maakten gebruik van zijn deskundig en onpartijdig oordeel; Leoninus trachtte zoveel mogelijk neutraal te blijven en pleitte voor onderlinge religieuze verdraagzaamheid. Tot zijn opdrachtgevers behoorden landvoogdes Margaretha van Parma, Alva, kardinaal Granvelle, proost Morillon, prins Willem van Oranje, Viglius, Joachim Hopperus, de hertog van Aerschot, de graaf van Egmond en de graaf van Megen.

De Spaanse landvoogd Requesens benoemde Leoninus tot zijn gemachtigde voor het voeren van onderhandelingen met Willem van Oranje. Deze leidden in de periode eind 1574 tot juni 1575 tot de Onderhandelingen van Breda, die mislukten doordat de landvoogd zich terugtrok. Korte tijd daarna speelde Leoninus een vooraanstaande rol in de totstandkoming van de Pacificatie van Gent (1576). Ook werkte hij mee aan de aanstelling in 1577/78 van Matthias van Oostenrijk tot landvoogd en kreeg hij zitting in diens Raad van State. Leoninus verzette zich in 1578 tegen de onverdraagzaamheid van stadhouder Jan van Nassau in diens godsdienstpolitiek in Gelderland.

Uiteindelijk koos Leoninus in 1580 partij voor de opstandelingen en nam hij ontslag als hoogleraar in Leuven. Een jaar later aanvaardde hij het ambt van kanselier van Gelderland, waartoe hij was voorgedragen door Willem van Oranje. Als kanselier had een groot aandeel in de wetgeving in Gelderland; hij werkte onder meer mee aan het Veluws landrecht (1593), de codificatie van het recht in het Veluws Kwartier. Na de Reductie van Groningen (1594) ontwierp hij met twee andere juristen een regeringsreglement voor "Stad en Lande".

Leoninus – door zijn tijdgenoot de historicus Pieter Bor omschreven als eene man groot van persone ende verstandt – bleef betrokken bij de landelijke politiek. Zo was hij begin 1585 de woordvoerder van een officiële deputatie die de Franse koning Hendrik III in Senlis de soevereiniteit over de opstandige Nederlandse gewesten aanbood. Een jaar later, op 17 januari 1586, verwelkomde hij in Den Haag namens de Staten-Generaal de nieuwe landvoogd Leicester.

Laatste jaren

Tijdens zijn drie laatste levensjaren maakte Leoninus vele aantekeningen over zijn leven. Samen vormden deze zijn autobiografie Vita Elberti Leonini, waarvan alleen fragmenten bewaard zijn gebleven. In 1596 moest Leoninus bij een reis naar Engeland wegens ziekte in Zeeland achterblijven, waardoor hij niet aan de gevoerde onderhandelingen kon deelnemen. In 1598 sloeg hij een aanbod om nogmaals met Spanje te onderhandelen af. Spoedig daarop overleed hij, in de nacht van 6 op 7 december. Hij werd op 13 december begraven in de Grote Kerk te Arnhem. Ondanks druk door het Hof van Gelre weigerde de gereformeerde kerkenraad toestemming te geven om bij deze begrafenis een uitvaartdienst te houden – Leoninus zou niet rechtzinnig genoeg zijn. Barbara de Haze, de weduwe van Leoninus, vroeg enkele weken na het overlijden van haar man toestemming om zich te Antwerpen te mogen vestigen. Ze gaf als verklaring voor haar verzoek dat zij steeds katholiek gebleven was.

Werken

Bronnen

Literatuur