Emotie of gevoel is een innerlijke beleving of gemoedsbeweging, zoals vreugde, angst, boosheid, verdriet, en kan door een situatie of gebeurtenis worden opgeroepen. Gevoelens kunnen ook spontaan opkomen. Emoties zijn subjectieve belevingen en gaan samen met lichamelijke reacties, gelaatsuitdrukkingen en gedrag.
In biologische zin is een emotie een reactie van de hersenen op een affectieve prikkel. Dit komt zowel bij mensen als dieren vrijwel automatisch tot uiting in een bepaald patroon van gedrag, zoals vluchten of juist toenadering, en fysiologische reacties. Gevoel kan dan gezien worden als een speciale uiting of vorm van emoties, die typisch is voor mensen, namelijk de bewuste beleving of mentale reflectie van een emotie.

Een emotie kan worden opgeroepen door:
Een negatieve emotie als angst, kan worden opgeroepen door een gebeurtenis die met gevaar is geassocieerd. Een positieve gebeurtenis roept juist een gevoel van veiligheid of blijheid op. Gevoelsreacties zijn voor een deel aangeboren en voor een deel aangeleerd. Een voorbeeld van een aangeboren emotionele reactie is schrikken. Sommige mensen zijn angstiger dan anderen. Er is bij angstigheid tevens een verband met aanleg voor neuroticisme, een van de big five onder de karaktertrekken. Angst of vrees voor bepaalde situaties of voorwerpen, kan ook het gevolg zijn van een leerproces. Zo kan een neutrale gebeurtenis, door associatie met een schadelijke gebeurtenis, op den duur angst gaan oproepen, het proces van conditionering. Dergelijke geconditioneerde reacties kunnen ook weer worden afgeleerd.
Emoties zijn niet altijd rechtstreeks in iemands gedrag of gelaatsexpressies te herkennen. Ook zijn mensen in staat emoties als blijdschap of verdriet te veinzen, of de uiterlijke manifestaties van emoties te onderdrukken. Deze onderdrukte emoties zijn soms indirect te herkennen aan de lichaamstaal. Vooral gezichtsuitdrukking (zie verder) en stemklank spelen daarbij een grote rol. Fysiologische reacties die door meer intense emoties worden opgeroepen zijn echter moeilijk te onderdrukken. Van dit principe wordt bij de leugendetector gebruikgemaakt. Men kan emoties rangschikken naar valentie (aard of type) en intensiteit. In elk paar hieronder is eerstgenoemde minder intens dan laatstgenoemde emotie.
Een onderzoek van de University of California uit 2017 vond 27 categorieën menselijke emoties in video's:
Soms kan er sprake zijn van emoties zonder (bewuste) gevoelsmatige reflectie. Een voorbeeld hiervan is de schrikreactie. Een hard geluid lokt binnen een fractie van een seconde automatisch en onbewust een fysiologische reactie uit, zoals het samentrekken van de spieren en hartslagversnelling. Pas enige tijd later treedt een gewaarwording van deze gebeurtenis en de daaraan gekoppelde lichamelijke reactie op, die door de hersenen vertaald wordt in een schrikgevoel. Onbewuste emoties kunnen vanuit evolutionair perspectief opgevat worden als automatische en snelle reacties op biologisch relevante prikkels. Dit zijn prikkels uit de omgeving die voor het overleven van de soort van belang zijn. Bij mensen gaan dergelijke reacties meestal gepaard met een oriëntatie van de aandacht op zowel de prikkel als de hierdoor opgeroepen fysiologische reactie. Echter, onderzoek van onder andere Joseph LeDoux en Öhman laat zien dat bedreigende stimuli fysiologische reacties kunnen oproepen, zonder dat men zich bewust is van deze stimuli. Door Joseph Ledoux is op grond van onderzoek met ratten het Dual Routes to Action-model ontwikkeld dat verklaart hoe onbewuste of impliciete emoties bij de mens kunnen ontstaan.
Laboratoriumonderzoek naar emoties hanteert de volgende methodes:
Er bestaan verschillende indelingen en opsommingen van emoties. Veel daarvan kunnen teruggebracht worden tot, of zijn varianten op, een kleiner aantal basisemoties. Iedere basisemotie is een combinatie van twee basisdimensies, te weten valentie (prettig-onprettig) en intensiteit. Bij valentie spelen volgens Edmund Rolls twee processen een rol: toekenning van beloning of straf, en niet-toekenning van beloning en straf. Straf gaat gepaard met angst, niet straffen met opluchting. Beloning met blijheid, niet belonen met woede of verdriet. Deze processen kunnen in intensiteit variëren. Volgens deze theorie zijn menselijke emoties ontwikkeld - of geëvolueerd - uit basalere emoties, die ook bij dieren voorkomen.
Het is lastig een scheidslijn aan te brengen tussen emoties en drijfveren, ook motivatie genoemd, die het gedrag bepalen. Emoties zijn namelijk niet alleen passieve belevingen, maar kunnen ook worden opgevat als actie-tendenties: een drijfveer om een bepaald doel te bereiken. Uit dieronderzoek is gebleken dat leergedrag van dieren gestuurd wordt door beloning en straf, ook reinforcers of bekrachtigers genoemd. Dieren zullen straf (negatieve bekrachtigers) vermijden en beloning (positieve bekrachtigers) nastreven. Voedsel en een mannetje (wijfje) waarmee gepaard kan worden, zijn voorbeelden van positieve bekrachtigers. Pijnlijke stimulatie is een voorbeeld van een negatieve bekrachtiger. Ook in het gedrag van mensen spelen drijfveren als het willen vermijden van pijn en zoeken naar genot of plezier een belangrijke rol. Zij fungeren kort gezegd als de motor van ons gedrag. Naast deze primaire drijfveren bestaan er ook secundaire drijfveren. De voetballer streeft bijvoorbeeld naar het maken van een doelpunt; de zakenman naar het afsluiten van een gunstig contract, en een scholiere naar de verovering van een aardige jongen. Het bereiken van het doel gaat gepaard met een gevoel van blijdschap, het niet bereiken daarvan met een gevoel van frustratie, teleurstelling of verdriet. Deze voorbeelden laten zien dat emoties c.q. gevoelens niet alleen passieve belevingen zijn, maar ook een belangrijke rol spelen in het sturen en activeren van menselijk gedrag.
Mede op grond van dieronderzoek, is er veel bekend over hersenfuncties die emoties reguleren. De betrokken structuren maken deel uit van het limbische systeem. Onderzoekers als Edmund Rolls en Antonio Damasio menen dat emoties gestuurd worden door een affectief netwerk, waarvan structuren als de amygdala, de hypothalamus en de cortex orbitofrontalis deel uitmaken. In dit netwerk heeft iedere structuur een specifieke functie.
Dierstudies hebben aangetoond dat de amygdalae (amandelkernen) betrokken zijn bij het aanleren van vreesreacties (zie ook versterkte schrikreactie). Onderzoek bij mensen laat zien dat de amygdala betrokken zijn bij de evaluatie van de valentie (positieve of negatieve betekenis) van affectieve prikkels uit de omgeving. Patiënten waarbij de amygdalae zijn beschadigd, blijken bijvoorbeeld moeite te hebben met herkenning van gelaatsexpressies van emoties. Dit blijkt vooral op te gaan voor expressies van angst. De amygdalae hebben veel verbindingen met de hypothalamus, die allerlei autonoom fysiologische reacties reguleert en de frontale cortex.
Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen primaire emoties en secundaire emoties. Primaire emoties worden automatisch en onbewust door prikkels uit de buitenwereld opgeroepen, zoals het eerdere voorbeeld van schrikken. Amygdala en door de hypothalamus geproduceerde endocriene en neurochemische reacties zijn hier de voornaamste aangeboren mechanismen. Bij de secundaire emoties (bijvoorbeeld ontroering) is een meer complex circuit betrokken, waarin vooral de orbitofrontale cortex een belangrijke rol speelt (zie Damasio verderop). Deze emoties gaan vaak wel gepaard met bewuste beleving of gevoelens. Secundaire emoties zijn ook sterker afhankelijk van omgevingsinvloeden en cultuur dan de primaire emoties.
Neurotransmitters zoals noradrenaline, serotonine en dopamine zijn eveneens betrokken bij de controle van emoties. Deze neurotransmitters zijn dus niet alleen een gevolg of correlaat van emoties, maar kunnen ook emoties moduleren via terugkoppeling naar gebieden in de hersenen. Een chronisch verlaagd niveau van noradrenaline en serotonine kan bijvoorbeeld een neerslachtige stemming tot gevolg hebben. Dopamine kan het proces van beloning (een prettig gevoel) versterken. Deze neurotransmitter heeft ook een invloed op de genoemde orbitofrontale schors.
Ten slotte is uit onderzoek naar patiënten met hersenbeschadiging bewijs gevonden, dat de rechterhersenhelft betrokken is bij beleving en expressie van negatieve emoties en de controle van onbewuste emoties (zie ook Hemisferische specialisatie).
Er bestaan vele emotietheorieën. De meeste hiervan hebben betrekking op de relatie tussen gevoelens (de innerlijke beleving) en de lichamelijk reacties die bij emoties optreden. Een punt van debat in sommige theorieën is de relatie tussen cognitie (kennen) en emotie (voelen). Een derde thema is de functie van emoties bij aanpassing aan de omgeving. Recent onderzoek naar hersenstructuren die bij emoties een rol spelen, heeft het inzicht in de aard en deelprocessen van emoties verscherpt. Hier volgt een kort overzicht van de voornaamste theorieën:
René Descartes (1596-1650) publiceerde in 1649 zijn boek Les passions de l’âme (vertaling: De passies/emoties van de ziel, in het Frans, Amsterdam/Parijs) en in 1650 Passiones animae (in het Latijn, Amsterdam), dat gezien wordt als het begin van de moderne wetenschappelijke theorie van emoties. Hierin probeerde hij, naar aanleiding van de ontdekking van het hart als pomp door William Harvey, de emoties mechanisch te verklaren, met de frequentie en sterkte van de hartslag. Descartes gaf de volgende definitie van de hartstochten (emoties, Frans: passions): "Hartstochten zijn de gewaarwording van een uitzonderlijke toestand van het lichaam en hebben betrekking op iets (een object) dat door ons gekend of waargenomen wordt". Hij kwam met zes primaire emoties: vreugde (joie), droefheid (tristesse), liefde (amour), haat (haine), begeerte (désir) en verwondering (admiration), en bijna 50 afgeleide emoties met verklaringen. Spinoza omschreef Descartes' definitie van de emoties (hartstochten) later als "gewaarwordingen, gevoelens of gemoedsbewegingen van de ziel, die alleen bij haar horen en ontstaan, in stand blijven en versterkt worden door bewegingen van de levensgeesten" (Spinoza: Ethica, deel 5, Voorwoord).
Benedictus de Spinoza (1632-1677) ontwikkelde in zijn boek Ethica (in het Latijn, 1678), deels als reactie op Descartes, een verklaring van 48 emoties (verlangen/behoefte, blijdschap, droefheid, verwondering, liefde, minachting enzovoorts) ingepast in zijn metafysica. Emoties komen voort uit respectievelijk:
De voornaamste emoties (latijn) zijn dus Cupiditas (begeerte, verlangen, behoefte, drang tot zelfbehoud), Laetitia (blijdschap is een overgang naar grotere volmaaktheid) en Tristitia (droefheid is een overgang naar verminderde volmaaktheid), waarop 43 andere emoties zijn terug te voeren, maar Verwondering (Admiratio) en Minachting (Contemptus) niet. Volgens Spinoza zijn de emoties een verwarde poging om onze positie in onze mentale en fysieke omgeving te bewaken. Emotie is bij hem een verward, obsederend idee over de vergroting of verkleining van de lichamelijke vitaliteit. De neuroloog Antonio Damasio besprak Spinoza's indeling met instemming.
William James ging ervan uit dat gevoelens als angst, verdriet, boosheid ontstaan, als het individu zich bewust wordt van de autonome lichamelijke reacties op emotionele prikkels. Zijn theorie stamt uit 1894. Carl Lange kwam ongeveer tezelfdertijd op een soortgelijk idee, maar richtte zich voornamelijk op de bloedsomloop en de spieren. De ideeën van James en Lange worden nogal eens samen genomen onder de naam "James-Langetheorie". Deze theorie heeft als inspiratiebron gefungeerd voor veel latere theorieën.
De theorie van James-Lange is met name door Walter Cannon bekritiseerd. Cannons argument was dat fysiologische reacties te diffuus en te traag waren, zodat terugkoppeling hiervan nooit het rijke arsenaal aan gevoelens bij de mens kon verklaren. Volgens Cannon werden gevoelens en lichamelijke reacties ongeveer gelijktijdig door de thalamus tot stand gebracht. Later onderzoek maakte echter duidelijk dat de thalamus niet specifiek betrokken is bij verwerking van affectieve prikkels.
Er is veel gedebatteerd over de relatie tussen emoties (voelen) en cognitie (verstand, kennen). Robert Zajonc van de Stanford Universiteit in de V.S. beweerde dat emoties vroeger ontstaan, en onafhankelijk zijn van cognitieve processen. Richard Lazarus van de Universiteit van Berkeley (VS) meende daarentegen dat emoties een onderdeel vormden van cognitieve processen.
Lazarus sprak in dit verband van een cognitive appraisal (waardering). Een emotie (gevoel) is bijvoorbeeld afhankelijk van de context waarin een lichamelijke reactie optreedt, bijvoorbeeld of ons hart sneller gaat kloppen na het zien van een brullende leeuw of een seksueel aantrekkelijk persoon. Dit sluit aan bij experimenten van Schachter en Singer uit 1962 die aantoonden dat omgevingsinformatie van belang is voor het ‘ labelen’ (benoemen) van lichamelijke reacties. Zij verhoogden door een injectie met adrenaline kunstmatig de fysiologische arousal. Dit werd door een proefpersoon gelabeld als negatief, als een andere persoon in de proefruimte zich irritant gedroeg. Als deze zich opgewekt gedroeg, werd een positief gevoel gerapporteerd.
De tegenstelling tussen de standpunten van Lazarus en Zajonc wordt voor een deel veroorzaakt door verschillende definities van cognitie. Lazarus rekende namelijk ook vroege waarnemingsprocessen tot cognitie, terwijl Zajonc cognitie opvatte als een proces dat komt na de primaire waarneming. Bovendien heeft onderzoek naar de hersenfuncties de tegenstelling tussen beide standpunten verzacht, maar voor beide standpunten zijn argumenten aan te voeren.

Volgens de evolutietheorie hebben emoties een belangrijke functie in het overleven van de soort in een bepaalde omgeving. Zo kan angst dienen om gevaar te vermijden (vluchtreactie), en woede dienen om een vijand uit te schakelen (vechtreactie).
Charles Darwin opperde in zijn boek The Expression of Emotions in Man and Animals het principe van 'serviceable associated habits' (dienende geassocieerde gewoonten). Hierin wordt gesteld dat uitdrukkingen van emotie niet bedoeld zijn als expressie, maar als gedrag dat geassocieerd is geraakt met een bepaalde emotie. Zo wordt de tong uit de mond gestoken ten teken van afkeer, na een hap bedorven eten, maar ook wanneer iemand in een onplezierige situatie belandt. Zo zijn uitdrukkingen van emotie volgens Darwin een geassocieerde gewoonte geworden.
Darwin droeg ook fundamenteler bij tot het begrip van de menselijke psychologie in haar geheel, door te wijzen op het belang van de verwantschap tussen mensen en dieren. In een van zijn notitieboeken staat het volgende aforisme uit 1838: "Hij die de baviaan begrijpt, draagt meer bij tot de metafysica dan Locke". In zijn Origin of Species voorspelt hij:
In de hierboven aangehaalde Expression toonde hij de adaptieve functie van emoties aan, en hun overheersende relatie met de fysieke, zintuiglijke omgeving.
Paul Ekman deed uitgebreid onderzoek naar menselijke gezichtsuitdrukkingen. Hij wilde de stelling van Darwin toetsen dat gezichtsuitdrukkingen bij bepaalde emoties universeel zijn. Ekmans onderzoek bevestigde het bestaan van universele gezichtsuitdrukkingen voor de volgende zes basisemoties:
De gezichtsuitdrukkingen die bij deze emoties horen worden overal ter wereld herkend. Ook kinderen die zowel doof als blind geboren zijn uiten hun gevoelens met behulp van deze universele mimiek.
Antonio Damasio bedacht de Somatische stempel theorie. Deze theorie bouwt voort op de oude James-Lange theorie, die stelt dat gevoelens een gevolg zijn van de waarneming van lichamelijke reacties. Angst ontstaat bijvoorbeeld als wij merken dat de hartslag toeneemt bij het zien van een gevaarlijk dier. Volgens de somatische stempeltheorie zijn lichamelijke processen ook belangrijk voor het nemen van beslissingen. Emotie en verstand werken hier dus samen. Vooral gebieden in de prefrontale cortex spelen volgens Damasio een rol bij de integratie van emotionele en rationele processen.
De theorie van Joseph LeDoux wordt ook wel de Dual Routes to Action theorie genoemd. Ook in deze theorie staan hersenstructuren, zoals met name de amygdala centraal. Deze zijn vooral betrokken bij de evaluatie van affectieve prikkels die met gevaar zijn geassocieerd. LeDoux’ onderzoek richtte zich op geconditioneerde vreesreacties. Hij onderscheidde daarbij een snelle route in de hersenen voor onbewuste reacties op bedreigende stimuli (zoals het zien van een giftige slang), en een langzame route die de bewuste verwerking van emoties (het angstgevoel) regelt. Ook deze theorie gaat dus in op de samenwerking tussen emotie en cognitie.
Moderne emotieonderzoekers als Panksepp, LeDoux, Rolls en Damasio menen dat gevoelens en lichamelijke reacties, de twee voornaamste componenten van emoties, parallel en ongeveer gelijktijdig worden opgeroepen. Een eenvoudige versie van dit model wordt in onderstaande figuur getoond. Uit de figuur blijkt dat latere niveaus (zoals gevoel of lichamelijk reacties die het gevolg zijn van de eerdere evaluatie) weer kunnen terugkoppelen naar het vroegere stadium, de evaluatie van de affectieve prikkel. Het laatste betekent dat er sprake is van terugkoppeling van zowel de lichamelijke reactie als het gevoel naar de evaluatie van de gebeurtenis. Ook elementen van de theorie van James-Lange en die van Cannon zijn dus in het model opgenomen. Evaluatie van affectieve prikkels vindt vermoedelijk plaats binnen structuren van het limbische systeem (zoals de amygdala). De door evaluatie opgeroepen processen worden deels door hogere gebieden in de hersenen (gevoel) als hypothalamus (lichamelijke reacties) gecontroleerd.

De expressie van basisemoties blijkt in verschillende culturen gelijk te zijn. Er wordt in de psychologie daarom aangenomen dat gelaatsexpressies grotendeels aangeboren zijn. Het uiten van gevoelens in een sociale context is daarnaast afhankelijk van cultuurbepaalde regels. Ekman noemt dat display rules. Het laatste idee is ook benadrukt door sociaal-constructivisten, waaronder Averill. Hij gaat ervan uit dat emotie cultuurbepaald is en bedoeld is om de sociale, communicatieve interactie tussen mensen te reguleren.
De cultuur leert in welke situatie men op welke (emotionele) manier behoort te reageren. Averill spreekt van "emotionele syndromen", omdat hij ze ziet als syndroom van een cultuur. Hierbij is er steeds sprake van een samenspel van 4 factoren; subjectieve ervaring, fysiologische verandering, gelaatsuitdrukkingen en coping. De cultuur bepaalt welke emoties onder welke omstandigheden gerechtvaardigd zijn. Zo ziet Averill boosheid als een typisch menselijk sociaal geconstrueerd syndroom, om interactie tussen mensen te reguleren.
Sommige culturen ten slotte benoemen emoties die in andere culturen onbekend zijn. Zo kent het Pali de emotie metta; liefdevolle aandacht. In het Japans verwijst amae naar een soort wederzijdse afhankelijkheid in respect. Het Filippijnse begrip liget, staat voor peper, vuur, passie. De gangbare lijst van emoties is dus niet persé compleet of universeel.
Onderzoek heeft aangetoond dat mannen en vrouwen verschillend reageren op affectieve prikkels. Bijvoorbeeld bij het zien van aangename en onaangename plaatjes (zie IAPS) geven mannen doorgaans aan dat zij plaatjes van avontuur en opwinding (zoals seksuele plaatjes) prettiger vinden. Vrouwen daarentegen vinden plaatjes van bedreigende gebeurtenissen of slachtoffers onaangenamer Het laatste wijst mogelijk op een sterkere angst voor bedreigende gebeurtenissen en neiging om gevaar te vermijden bij vrouwen. Mannen hebben een sterkere neiging tot agressiviteit en opwinding. Mannen vertonen ook een sterkere correlatie (samenhang) tussen positieve valentie (mate van prettig vinden) en arousal (mate van opwinding). Bij vrouwen geldt dit vooral voor onaangename plaatjes: zij rapporteren meer opwinding bij onaangename plaatjes. Angststoornissen en depressiviteit blijken ten slotte ook vaker bij vrouwen dan bij mannen voor te komen Over de oorzaak wordt nog gegist: mogelijk liggen aan deze sekseverschillen zowel biologische als omgevingsfactoren ten grondslag.
Onderzoekers hebben vanaf de jaren 1960 geprobeerd te meten in hoeverre een persoon in staat is zijn eigen emoties en die van anderen te herkennen, het onderscheid te maken tussen verschillende gevoelens en ze correct te benoemen, emotionele informatie te gebruiken als leidraad voor gedachten en gedrag, en gevoelens te beheersen en aan te passen aan de omgeving of aan de eigen doelstellingen. Het emotionele (intelligentie)quotiënt EQ is dan een aanvulling op het traditionele intelligentiequotiënt.
Er zijn verschillende modellen van emotionele intelligentie (EI) in omloop. Het kenmerkmodel van Konstantinos Petrides (2001) rapporteert over gedragingen en vaardigheden zoals gerapporteerd door de persoon zelf. Het bekwaamheidsmodel van Peter Salovey en John Mayer (2004) meet hoe goed iemand emotionele informatie kan verwerken en gebruiken.
Er zijn sterke positieve correlaties aangetoond tussen enerzijds EQ en anderzijds geestelijke gezondheid, professionele prestaties en leiderschapstalent, hoewel hierin de afzonderlijke rollen van algemene intelligentie en van specifieke persoonlijkheidskenmerken nog niet zijn uitgeklaard.
Affectieve informatica is de studie van automatische systemen voor het herkennen, interpreteren, verwerken en nabootsen van emoties. Het is een interdisciplinair vakgebied tussen informatica, psychologie en cognitiewetenschap. In brede zin kunnen hiertoe zelfs leugendetectoren gerekend worden, maar als afzonderlijk studiegebied begint affectieve informatica met een paper van Rosalind Picard uit 1995.
Een van de doelstellingen van het onderzoek is machines uitrusten met emotionele intelligentie, bijvoorbeeld om empathie te simuleren. De machine moet de gevoelstoestand van mensen interpreteren en haar gedrag daaraan aanpassen.