
Enclosure (Nederlands: omheining of afsluiting) is een historisch proces in het grondbezit in Engeland, waarbij landbouwgrond of gemeenschappelijke gronden (zoals weiden, bossen of akkers) werden afgeperkt en toegeëigend door landheren of grootgrondbezitters. Hierdoor verloren lokale gemeenschappen, zoals boeren en horigen, hun traditionele gebruikersrechten op deze gronden. De omheining kon plaatsvinden via informele afspraken, collectieve actie door boeren of wettelijke regelgeving door het parlement van het Britse Parlement.

De oorsprong van enclosure ligt in de Normandische verovering van Engeland (1066), toen Willem de Veroveraar het feodalisme introduceerde. Onder dit systeem beheerden leenheren grond in naam van de koning, terwijl horigen en boeren de grond mochten gebruiken in ruil voor diensten of pacht. Deze gemeenschappelijke gronden ('commons') vormden de basis voor de lokale economie.
De pestepidemieën in de 14e eeuw leidden tot een drastische daling van de bevolking en arbeidskrachten. Hierdoor kregen de boeren meer onderhandelingsmacht, wat resulteerde in hogere lonen en inflatie. Veel gronden raakten hierdoor braak of werden verlaten, wat bijdroeg aan de geleidelijke afbraak van het feodale stelsel. De omheining van gronden versnelde in deze periode, hoewel de uitvoering per regio verschilde. In sommige gebieden vonden omheiningen eerder plaats, in andere later of nauwelijks. De omvang van afgeperkte gebieden varieerde sterk.
Van de 16e tot de 19e eeuw werden veel omheiningen wettelijk vastgelegd via Enclosure Acts, aangenomen door het Britse Parlement. Deze wetten legaliseerden de privatisering van gemeenschappelijke gronden, vaak ten voordele van grootgrondbezitters. Critici, zoals historicus E.P. Thompson, wijzen op de sociale gevolgen: verdrijving van kleine boeren (landloze arbeiders) en de opkomst van loonarbeid als basis voor de Industriële Revolutie.
De afperking van gronden kon op drie hoofdmanieren plaatsvinden: