

De Essener Domschatz is een van de belangrijkste collecties van kerkelijke kunst in Duitsland.
De domschat gaat terug op schat van het voormalige Sticht Essen, die na de secularisatie van het sticht in 1803 in eigendom van de Sint Johannes-parochieoverging. Deze nam de Stichtskerk met inbegrip van de bijbehorende inventaris over. Tijdens de Ruhropstand in 1920 werd de gehele Essener domschat in het grootste geheim naar Hildesheim gebracht. Vandaar werd de schat in 1925, opnieuw onder geheimzinnige omstandigheden, weer teruggebracht naar Essen.
In de Tweede Wereldoorlog werd de Essener domschat eerst naar Warstein en daarna naar de Albrechtsburg in Meissen overgebracht. Van daaruit ging het naar een bunker bij Siegen. Na de oorlog werd de Essener domschat door Amerikaanse troepen gevonden. Eerst werd het kruis met de schat naar het Landesmuseum in Marburg gebracht en later na een verzamelplaats voor uithuizige kunst naar Kasteel van Dyck bij Rheydt. Van april tot oktober 1949 werd de Essener domschat in Brussel en Amsterdam tentoongesteld. Met de oprichting van het bisdom Essen in 1958 en de verheffing van de Essener Munsterkerk tot kathedraal kwam het kruis in het bezit van het bisdom Essen.
Omdat in de loop van de geschiedenis slechts een paar stukken van de schat, zoals de gouden schrijn van de heilige Marsus verloren zijn gegaan en daarbij ook de Essener liber ordinarius, waarin de liturgisch gebruik van de stukken wordt beschreven, behouden is gebleven, is de collectie in zijn volledigheid uniek. Daarnaast bevat de Essener domschat ook verschillende, vanuit kunsthistorisch perspectief zeer belangrijke kunstwerken, in het bijzonder uit de Ottoonse tijd.
Van bijzonder belang zijn vier processiekruisen uit de Ottoonse tijd: het Otto-Mathilde-kruis, het kruis met de grote ingewerkte emaille-afbeeldingen, het Theophanu-kruis en het Mathilde-kruis
Interessant is ook het ceremoniële zwaard van de abdissen van het Damessticht Essen.