Met trinitariërs worden in het dagelijks spraakgebruik de personen bedoeld die geloven in de Drie-eenheid.
De term wordt ook gebruikt om de leden van de Orde van de Allerheiligste Drie-eenheid (Latijn: Ordo Sanctissimae Trinitatis (et Captivorum), afkorting OSsT) aan te duiden.
In Frankrijk werden ze Mathurijnen genoemd, omdat ze in Parijs een kerk hadden die gewijd was aan de heilige Mathurinus. Ze worden ook Witte Spanjaarden, Ezelsbroeders of Red Friars genoemd.
De originele Orde der Trinitariërs werd omgevormd tot een katholieke bedelorde in 1597.

Het voornaamste doel van de orde bestond uit het vrijkopen of ruilen van christelijke gevangenen uit de handen van de Saracenen. Deze waren in het Midden-Oosten, Noord-Afrika en Spanje tijdens de doortocht van de Kruistochten gevangen genomen of gegijzeld door piraten. Na de slag bij Lepanto ontstond er een heimelijke guerilla op zee. Na het Twaalfjarig Bestand domineerden de renegaten de Turkse vrijbuiterij met Algiers als hoofdplaats.
Soms kon de familie door het gevraagde losgeld geruïneerd worden. Het vrijkopen van de christenen werd daardoor een industrie apart, lucratief voor een legertje bemiddelaars. Specialisten in het negotiëren en afkopen waren de Trinitariërs. De trinitariërs waren echter niet de enige religieuze orde die met dat doel werd opgericht. De Orde van Onze Lieve Vrouwe van Weldadigheid had dezelfde doelstellingen.
De orde werd in 1198 opgericht door Johannes van Matha en Felix van Valois in Cerfroid bij Parijs. Op 17 december 1198 werd de orde goedgekeurd door paus Innocentius III.

Ze volgden de regel van Sint-Augustinus waarbij ze 1/3 van hun bezittingen en inkomen doneerden aan de bevrijding van tot slaaf gemaakte christenen. De rest werd verdeeld om de armen en de monniken te steunen. Het getal 3 had een speciale betekenis voor de aanhangers van het geloof in de H. Drievuldigheid.
In 1236 kwam er ook een vrouwelijke tak.

Van bij de aanvang dragen ze een wit habijt met als kenteken het rood/blauwe kruis van de orde. Hun motto is: Gloria Tibi Trinitas et captivis libertas. Wit, rood en blauw vertegenwoordigen de drie kleuren van de Heilige Drievuldigheid.
Hun symbool is een mozaïek uit 1210 waarop Jezus - gezeten op een troon - een geketende witte en een zwarte gevangene bevrijdt. Naar verluidt werd opdracht gegeven voor de mozaïek door Johannes van Malta en zou gebaseerd zijn op een visioen tijdens het celebreren van zijn eerste eucharistieviering.
Het zwaartepunt lag rond de Middellandse Zee, met talrijke kloosters in Zuid-Frankrijk, Spanje en Italië, maar er kwamen ook gemeenschappen aan rond de Noordzee, die ook geteisterd werd door piraterij:
Deze kloosters bestonden meestal reeds van in de 13de eeuw en genoten de steun van de graven van Vlaanderen.
Midden 17de eeuw werden de Trinitariërs in Vlaanderen ingeschakeld via broederschappen ('confreries'). In menige parochie werd een Broederschap van de Heilige Drievuldigheid opgericht, vooral in West-Vlaanderen.

Een actieve broederschappen startte in Gent in 1641 toen de Gentse bisschop Antoon Triest de goedkeuring gaf om in de Sint-Jacobskerk een kapel in te richten om van daar uit de activiteiten van de omgeving te coöordineren. De aanwezige schilderijen van Gaspar De Crayer en Jan Van Cleve. Bovenaan wordt de Heilige Drievuldigheid afgebeeld terwijl onderaan de ordebroeders over enkele vrijlatingen onderhandelen. Het kapelaltaar wordt geflankeerd door de bustes van de stichters, Johannes van Matha en Felix van Valois.
De aanleiding tot de oprichting het Broederschap in Brugge was de gevangenneming van de Brugse edellieden Emmanuel de Aranda, Jan-Baptist van Caloen, de jonker Philip de Cherf en Reinier Saldens. Zij waren in 1640 gevangen op zee door Turken, die hulp hadden gekregen van renegaten. Na een paar jaar slavernij kwamen zij vrij door ruiling met gevangen Turken.
Het droevige lot van de gevangen geloofsgenoten sprak sterk tot de volkse verbeelding en de giften stroomden toe uit de vele parochies waar een filiaal van de broederschap bestond.
In de Gentse Drievuldigheidskapel stonden twee offerblokken: een voor het onderhoud en de opsmuk van de kapel en een tweede voor de slaven. Alle geld uit het ‘slavenblok’ moest steeds ingewisseld worden tegen zilveren munten, nodig voor de vrijkoop. Vaste schenkers waren de twee begijnhoven en het klooster der Ursulinen.
Op de kerkmuren verschenen aanplakbrieven met de tekst van de pauselijke bullen, of met een overzicht van de te verdienen aflaten en vaak ook de lijsten van gevangen of verloste slaven. Een veelgebruikt document was de breve van paus Clemens IX uit 1669, waarin de statuten werden goedgekeurd.
Om zijn toekomstige missies kracht bij te zetten, schreef pater Lucien Heraut een smeekbrief aan de regentes van de Franse koningin Anne van Oostenrijk. Hij was in 1643 teruggekeerd naar Frankrijk met 50 vrijgelaten Franse slaven en ondervroeg haar over het lot van duizenden slaven die nog steeds gevangen waren.
De monniken reisden met het verzamelde losgeld naar Algerije om met de Moren te onderhandelen. Niet zelden stelden ze voor om te wisselen met de gevangenen. De eerste drie eeuwen van hun bestaan werden ze meesters in het inzamelen van geld voor het vrijkopen van de gevangenen en voor hospitalen te stichten om de bevrijde maar getraumatiseerde gevangenen te verzorgen. Ook gevangenenruil werd toegepast.
Om hun 'resultaten' te tonen organiseerden ze 'shows': wanneer het bekend raakte dat de Trinitariërs een stad naderden met een bevrijde inwoner ervan, kondigde het bestuur een verlofdag af. Op de markt werd dan de vrijgekochte inwoner plechtig overgedragen aan de stad en aan zijn familie, die hem openlijk konden ontvangen in tranen van vreugde. Dat was het ideale ogenblik om gelden te verzamelen om anderen vrij te kopen.
In 1735 noteerde de Oostendse kroniekschrijver Jacob Bowens:
Op 14 december kwamen hier elf slaven aan, vooral Oostendenaars. Het waren de laatsten vanop het schip van kapitein Geselle, die in 1724 door twee Algerijnse zeerovers gevangen genomen werden en sedertdien in slavernij geweest waren. Velen van hun metgezellen waren al in 1731 verlost geworden en naar huis gekomen. Ze zijn allen afgekocht door het Broederschap van de Allerheiligste Drievuldigheid.
Voor deze missies werden namenlijsten en getuigenissen opgesteld, waarvan er een aantal overgebleven zijn uit de periode 17e en 18e eeuw, telkens met de vermelding hoe lang ze al slaaf waren: Zo is er de getuigenis van pater Pierre Dan - de overste van het Trinitariërsklooster in Fontainebleau - die, samen met pater Charles d'Arras, rond 1637 tweeënveertig slaven in Tunis vrijkocht en terugbracht naar Parijs.
Miguel de Cervantes, de auteur van Don Quichote, werd door hen bevrijd in 1580 na een gevangenschap van vijf jaar. Uit dankbaarheid werd hij lid van hun lekenorde. Hij werd begraven in het habijt van de orde bij de Trinitariers van Madrid.
De allerlaatste vrijgekochte Vlaamse slaaf was waarschijnlijk Simon De Grave uit Ieper in 1783, voor wie het bisdom 1.633 gulden betaalde.
In de Sint-Petrus-en-Pauluskerk in Oostende is een 20e-eeuws glasraam van de hand van Michel Martens aan dit thema gewijd, met de volgende tekst:
Kristenen die naar den oost vaarden om alle soorten kostbaarheden werden vaak door de Moren gepraaid. Ze werden te Algiers als slaven verkocht. De Trinitarien ......... rond 1200 gesticht zamelde alhier geld in om over zes eeuwen ongeveer 900 000 van hen vrij te kopen
Enkele leden van deze orde die zijn heilig verklaard:
Het succes taande na de Engelse invasie van Frankrijk in de 15e eeuw. Tijdens de Reformatie in de 16e eeuw zette de neergang zich verder door met de sluiting van vele filialen. De orde moest zich heroriënteren naar hospitalen, scholen en zorg in parochies.
In 1578 ontstond er een schisma in Pontoise, die zich verderzette in het moederhuis in Cerfroid. In 1597 werd de orde in Spanje omgevormd tot een nieuwe bedelorde door Juan Bautista de la Concepción. Ze noemden zich de ongeschoeide trinitariërs. De nieuwe orde werd goedgekeurd door paus Clemens VIII op 20 augustus 1599.
In 1771 beval keizerin Maria Theresia aan de Raad van Vlaanderen te Gent een onderzoek in te stellen naar de werking, de oorsprong en de besteding der gelden in de broederschappen van de Trinitariërs omdat ze (terecht) onterechte toewijzingen vermoedde.
On 1783 verbood Jozef II de kloosters van de Trinitariërs in Oostenrijk en in de Nederlanden. Door de Franse Revolutie in 1789 werden ze ontbonden in Frankrijk, hun land van oorsprong.
De inneming van Algiers in 1830 door de Fransen betekende het einde van de Turkse slavernij, waardoor de behoefte aan vrijkoping wegviel. De oorspronkelijke (geschoeide) trinitariërs verminderden in aantal en hielden op te bestaan in 1894.
Italiaanse trinitariërs deden de oversteek naar de Verenigde Staten van Amerika in 1916.
Tegenwoordig wijden de trinitariërs zich aan onderwijs, zielzorg en de ziekenzorg.
In 2004 waren er 204 priesters en 565 mannelijke religieuzen lid van de orde.
De orde heeft vestigingen in Frankrijk, Spanje, Argentinië, Bolivia, Chili, Peru, Italië, de Verenigde Staten, India, Puerto Rico, Colombia, Canada, Guatemala, Brazilië, Congo-Kinshasa, Madagaskar en Oostenrijk.