
Femicide, ook wel vrouwenmoord of feminicide (naar het Frans, met name in België), is het doden van een vrouw of meisje omdat ze een vrouw of meisje is, is een haatmisdrijf tegen vrouwen en meisjes. 'Femicide' is een samenstelling van de Latijnse woorden fēm(ina)- (vrouw) en -icide (doodslag of moord), verwant aan de term 'homicide', het 'doden van een mens'.
Er is (nog) geen internationaal overeengekomen definitie van femicide, dit bemoeilijkt de opvolging van de problematiek.
Volgens hoogleraar Marieke Liem, ontwikkelaar van de Nederlandse Femicide Monitor (april 2025), zou de term femicide terughoudend gebruikt moeten worden omdat de motieven bij doding van een vrouw pluriform zijn en zelden gesproken kan worden van het gender als motief. Zij stelt dat de definitie in verschillende landen sterk verschilt en het gebruik van de term vooral activistische doeleinden heeft.
Volgens rechtbankverslaggever en misdaadjournalist Saskia Belleman, die zich langdurig intensief het het onderwerp heeft beziggehouden, en ook voorstander is van invoering van een Nederlands equivalent van Clare's Law, zoals door de coalitie overwogen, zal een definitie van femicide als vrouwenhaat of als het doden van een vrouw omdat ze een vrouw is, een bron van verwarring zijn. Het is eenvoudiger en treffender om van femicide te spreken in gevallen wanneer een vrouw niet doet wat een man wil en daarom wordt vermoord. Ook benadrukt ze dat het geen geïmporteerd probleem is, en niet beperkt tot een bepaalde laag van de maatschappij. Het is een mannenprobleem, voortkomend uit scheve man-vrouw-verhoudingen, gepleegd door het type man dat voelt "zij is van mij" en dat achteraf het slachtoffer de schuld geeft van haar dood.
Het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) onderscheidt zeker zes vormen van femicide:
In berichtgeving rondom femicide vindt men veel alternatieve benamingen voor vrouwenmoord. Men spreekt dan over 'familiedrama', 'huiselijk geweld', 'crime passionnel', '(tragedie) in de relationele sfeer', 'eerwraak' of 'verkrachtingszaak met dodelijke afloop'. Deze alternatieven geven onduidelijkheid over de verdere toedracht van de moord. Aan femicide gaat vaak jarenlang misbruik vooraf, en een op de tien vrouwen wordt actief gestalkt voorafgaand aan de moord.
De term werd voor het eerst gebruikt in 1976 door feministische auteur Diana E. H. Russell en kreeg meer bekendheid toen de term (in het Spaans vertaald als feminicidio) rond 2015 werd overgenomen door Mexicaanse vrouwenbewegingen en academici, om het hoge aantal vrouwenmoorden door mannen in Mexico nader te omschrijven.
De nuances van de algemene term zijn afhankelijk van de context waarin de term wordt gebruikt, zowel in het Engels als in het Nederlands.
Er kunnen verschillende oorzaken zijn voor femicide. Radford en Russell (in 1992), en ook Stout (in 1992), onderscheiden vijf benaderingen van de oorzaken:
De onderzoekers concluderen in het licht van deze vijf verschillende benaderingen van vrouwenmoord dat het een complex sociaal verschijnsel is, dat macro-, meso- en microtheorieën vereist, naast veelzijdige verklaringen die aangepast zijn aan de specifieke sociaal-historische context en structuur tussen individuen onderling. Er is dus niet een specifieke oorzaak aan te wijzen, en daarom zal ook de aanpak divers moeten zijn.
Femicide is een van de meest voorspelbare vormen van geweld tegen vrouwen en wordt vaak voorafgegaan door een herkenbaar patroon. In veel gevallen is sprake van structurele en aanhoudende vormen van partnergeweld, waarbij signalen en risicofactoren zich stap voor stap opstapelen. Deze kunnen variëren van emotionele en fysieke mishandeling tot controle, isolatie, bedreiging en stalking. Hoewel de aanloop naar femicide overeenkomsten vertoont, heeft elk geval zijn eigen context en achtergrond. De motieven en vormen van geweld verschillen per situatie en ook de achtergronden van de slachtoffers lopen uiteen. Femicide treft vrouwen ongeacht afkomst, sociale klasse of religie.
De aanloop naar femicide verloopt vaak volgens een herkenbaar patroon dat zich in meerdere fases kan ontwikkelen. Onderzoekers en hulporganisaties signaleren acht veelvoorkomende stappen in de dynamiek tussen pleger en slachtoffer:
Het verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (ook bekend als de Istanbul-Conventie, oftewel het Verdrag van Istanbul) is een mensenrechtenverdrag van de Raad van Europa (RvE) tegen geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld dat werd opengesteld voor ondertekening op 11 mei 2011 te Istanboel. Het verdrag streeft naar de preventie van geweld, de bescherming van (potentiële) slachtoffers en "naar het beëindigen van de straffeloosheid van de daders". De Conventie trad op 1 augustus 2014 in werking. Per maart 2019 hebben 46 landen en de Europese Unie de Conventie ondertekend.
Op 12 maart 2012 was Turkije het eerste land dat de Conventie ratificeerde, maar op 20 maart 2021 heeft het land het verdrag verlaten. Vanuit conservatieve hoek was er al langere tijd kritiek op de inhoud van het akkoord. Zo zou het afbreuk doen aan Turkse normen en waarden over familie en daardoor juist geweld in de hand werken. Ook vinden critici dat het principe van gendergelijkheid in het verdrag homoseksualiteit promoot.

Wereldwijd wordt er sinds de eerste demonstraties in Mexico in 2015 in toenemende mate aandacht gevraagd voor femicide, onder andere met demonstraties.
Door de wereldwijde coronapandemie kozen mensen er in 2021 vanwege het besmettingsgevaar door COVID-19 voor om niet zelf de straat op te gaan. In plaats daarvan werden rode schoenen als symbool op pleinen gezet. Dit gebeurde onder andere in Istanboel met een kunstwerk van 440 schoenen door Vahit Tuna. Ook op de Dam in Amsterdam werden op 10 april 2021 zeventig rode schoenen neergezet als reactie op het verlaten van de Istanbul-Conventie door Turkije: een voor elke vrouw die vanaf 1 januari 2021 tot die dag in Turkije werd vermoord.
Wereldwijd stierven in 2012 meer dan 43.600 vrouwen door toedoen van hun partner, ex-partner of familielid, volgens het United Nations Office on Drugs and Crime, die dit onderwerp opvolgt. Als vergelijking en context noemt de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa in hun rapport naast deze cijfers wereldwijd voor datzelfde jaar 11.133 doden door terrorisme. Het European Data Journalism Network noemde in 2017 Montenegro, Letland, Litouwen en Tsjechië als landen met het hoogste percentage femicide. Uit dertien Europese landen zijn geen data opgenomen in de database. In Denemarken, Griekenland, Luxemburg, Litouwen, Malta en Polen worden data over femicide daadwerkelijk niet verzameld.
De sterftecijfers voor mannen liggen hoger dan die van vrouw. Het gaat vaker over afrekeningen in het criminele circuit of uit de hand gelopen vechtpartijen. Slechts in uitzonderlijke gevallen (zo'n 4%[bron?]) gaat het om moord gepleegd door intimi, ter vergelijking, bij vrouwen ligt dit op de helft.[bron?]
In Nederland gaat het om zo'n veertig geregistreerde gevallen per jaar. De cijfers zijn niet eenduidig; het Nederlandse Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) houdt cijfers bij van het aantal gevallen van moord of doodslag, en in beperkte mate van de onderliggende motieven, maar niet specifiek van femicide-gevallen. Daarnaast is er de kanttekening te maken dat de juridische verhouding van dader-slachtoffer centraal staat binnen de rechtspraak en er ook gevallen buiten de boot vallen: mensen die nooit geregistreerd hebben gestaan als partner of ongetrouwd zijn, tellen niet mee in de cijfers. Wat ook niet meetelt is "[g]edwongen zelfdoding", als een vrouw door huiselijk geweld het leven dermate zuur wordt gemaakt dat ze geen andere mogelijkheid ziet dan levensbeëindiging. Als dit strafbaar gesteld wordt (zoals in het VK) "komen er nog eens tweehonderd vrouwenmoorden bij" (per jaar) volgens advocaat Ingrid Vledder. In juni 2026 werd onderzoek in Nederland aangekondigd naar femicide die door de dader vermomd was als suïcide.
Ten tijde van de zaak Hümeyra (een zestienjarige die vermoord werd door een stalkende ex-vriend, ondanks herhaald contact met de politie) was er enige aandacht voor femicide, maar "Een Nationale Coördinator Huiselijk Geweld die zorgt voor regie, monitoring en afstemming, waarop verschillende organisaties en ik al jaren hameren, wilde de minister niet aanstellen," volgens toenmalig Kamerlid Kirsten van den Hul. "Zo'n landelijke coördinator is er wel voor discriminatie, mensenhandel en antisemitisme, maar kennelijk vond hij huiselijk geweld niet belangrijk genoeg. De portefeuille valt nu onder vier ministeries. Bij VWS ligt de coördinatie; daarnaast zijn ook Justitie en Veiligheid, SZW en OCW betrokken. Maar er is weinig samenwerking en afstemming."
Het onafhankelijk toezichthoudend orgaan GREVIO ("Groep van deskundigen inzake actie tegen geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld"), dat de uitvoering van het Verdrag van Istanbul evalueert, constateerde in haar rapport van 15 november 2019 (gepubliceerd 20 januari 2020) dat Nederland bij het verminderen van geweld tegen vrouwen in veel opzichten achterbleef. De door de overheid voorgeschreven genderneutraliteit leidt ertoe dat "partnergeweld tegen de vrouw door de mannelijke partner verhuld [wordt] als probleem onder gelijken. Dit belemmert het waarborgen van strafrechtelijke verantwoording, wat een van de belangrijkste doelstellingen van het Verdrag van Istanbul is." GREVIO constateert dat het Openbaar Ministerie in de meeste zaken van partnergeweld van verdere strafvervolging afziet. Niettemin zette Renée Römkens, hoogleraar Gender Based Violence aan de Universiteit van Amsterdam, het dodelijk geweld tegen vrouwen als maatschappelijk probleem op de kaart in haar afscheidscollege onder de titel Een hete aardappel.
In Nederland wordt sinds april 2025 de Nederlandse Femicide Monitor gebruikt om vrouwenmoord systematisch in kaart te brengen. Dit wetenschappelijke onderzoeksproject, ontwikkeld aan de Universiteit Leiden onder leiding van hoogleraar Marieke Liem, verzamelt en analyseert gegevens over alle gevallen van moord en doodslag met vrouwelijke slachtoffers over een meerjarige periode. De monitor combineert statistische gegevens met informatie uit politie- en justitiële bronnen, mediaberichtgeving en, waar mogelijk, interviews met nabestaanden. Door patronen, context en risicofactoren zichtbaar te maken, beoogt de Femicide Monitor bij te dragen aan het maatschappelijke en beleidsmatige debat over femicide en aan de ontwikkeling van preventieve maatregelen. De Nederlandse Femicide Monitor sluit tevens aan bij internationale initiatieven die gericht zijn op het systematisch registreren en analyseren van vrouwenmoord. Omdat er internationaal en nationaal geen eenduidige wetenschappelijke definitie van femicide bestaat, omvat de Nederlandse Femicide Monitor alle gevallen van vrouwenmoord.
In juni 2026 werd een 81 jarige man veroordeeld voor femicide, hij doodde de vrouw met wie hij 50 jaar getrouwd was en kreeg een celstraf van 10 jaar.
De monitoring van officiële femicidecijfers in België is beperkt tot administratieve data van het parket en de Belgische politie. Net zoals in Nederland, zorgt dit ook in België voor beperkte data: de gegevens die verzameld worden bevatten voornamelijk informatie over het soort misdrijf, zoals moord of doodslag, en de dader. Er is slechts beperkte tot geen informatie over de slachtoffers. Omwille van verschillende beperkingen van deze data werd in 2017 het platform Stop Feminicide opgericht om femicide ook inofficieel te monitoren. Het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) raadt België, net als de andere Europese lidstaten, dan ook aan om een duidelijke definitie op te stellen en een uitgebreide dataverzameling rond femicide in te voeren, die ook informatie omvat over de relatie tussen het slachtoffer en de dader. Ze raden tevens aan om deze data op te splitsen volgens geslacht.
Om een beter zicht te krijgen op femicide in België werd in het Nationaal Actieplan tegen Gendergerelateerd Geweld (NAP) 2021-2025 meer aandacht besteed aan het onderwerp. In navolging van dit NAP werd er op initiatief van Staatssecretaris voor Gendergelijkheid Sarah Schlitz op 28 oktober 2022 een wetsontwerp voor een kaderwet goedgekeurd door de Ministerraad, om dodelijk geweld op vrouwen beter te registreren. Het wetsontwerp inzake de preventie en de bestrijding van femicides, gendergerelateerde doding en het geweld dat daaraan voorafgaat, voorziet dat femicide gedefinieerd zal worden en er duidelijke indicatoren worden ontwikkeld om dit te meten. Er zijn geen wijzigingen gepland binnen het strafwetboek, wat betekent dat femicide geen apart misdrijf wordt. Men benadrukt dat dit eerste ontwerp van de kaderwet nog geen finale versie is. Anno 2023 worden er nog verschillende adviezen ingewonnen, onder meer het advies van 23 januari 2023 door het Controleorgaan op Politionele Informatie, die het wetsontwerp nog kunnen wijzigen. Nadien dient het nog gestemd te worden door het federaal parlement.
Referenties