Gadusaurus

Gadusaurus is een geslacht van de Ichthyosauria dat tijdens de vroege Jura leefde in het gebied van het huidige Portugal. De enige benoemde soort is Gadusaurus aqualigneus.

Vondst en naamgeving

Op 8 april 2021 vond lerares biologie Isabel Morais Roldão tijdens het voorbereiden van een opgraving door haar middelbare school-klas op de Praia de Água de Madeiros, het strand van São Pedro de Moel, de schedel van een ichthyosauriër, een uiterst zeldzame vondst voor Portugal of Spanje. De vondst werd geprepareerd door Carla Alexandra Tomás en Micael Martinho. Al snel werd duidelijk dat het om een nog onbekende soort ging.

De vindplaats

In 2025 benoemden en beschreven João Pratas e Sousa, Isabel Morais Roldão, María Ríos en Eduardo Puértolas-Pascual de typesoort Gadusaurus aqualigneus. De geslachtsnaam is afgeleid van het Latijn gadus, "kabeljauw". Het is zowel een verwijzing naar de visvorm als naar het feit dat de kabeljauw de meest geliefde vis is in de Portugese cuisine. De correcte combinatie luidt eigenlijk "Gadosaurus". De soortaanduiding betekent "van het waterwoud". Waterwoud is de letterlijke vertaling van Água de Madeiros. De Life Science Identifiers zijn 36051285-11C9-47FA-A001-32C9F98B793C voor het geslacht en FB6DFDD0-E0D8-4FC5-B2A4-9D319F5D6B07 voor de soort.

Het holotype, ML 2750, is gevonden in het bovendeel van de Polvoeira-afzetting van de Água de Madeiros-formatie, daterend uit het bovenste Sinemurien, 199 miljoen jaar oud. Het bestaat uit een schedel met onderkaken. Die is vrij compleet bewaard op de achterkant na. De grens ligt ongeveer op de achterrand van de oogkas. Hersenpan en achterhoofd ontbreken geheel. De schedel is platgedrukt en zichtbaar van de rechterzijde. Delen van de linkerzijde liggen over de middenlijn. Delen van het pterygoïde en het ploegschaarbeen zijn zichtbaar door de oogkas. Het is de meest complete ichthyosauriër die ooit in Iberia ontdekt is en de eerste die uit Portugal benoemd is. Het betreft vermoedelijk een jongvolwassen dier.

Beschrijving

Het holotype

Grootte en onderscheidende kenmerken

De gevonden schedel heeft een bewaarde lengte van 352 millimeter wat wijst op een lichaamslengte van ruwweg twee meter.

De beschrijvers hebben enkele onderscheidende kenmerken vastgesteld. Drie daarvan zijn autapomorfieën, unieke afgeleide (dus nieuwe) eigenschappen voor de Parvipelvia. Het traanbeen heeft een min of meer ronde inzinking onder het achterste deel van het neusgat. Het foramen tussen de neusbeenderen is groot en goed ontwikkeld met een oppervlakte van vijfmaal het foramen pineale. Aan beide zijden van de excavatio internasalis bevindt zich een duidelijk ontwikkelde lengtegroeve aan de voorste buitenzijde.

Daarnaast is er een unieke combinatie van op zich niet unieke kenmerken. De praemaxilla mist een tak boven het neusgat. Het foramen pineale ligt geheel in de voorhoofdsbeenderen (in plaats van ten dele in de wandbeenderen).

Skelet

De tak van de praemaxilla onder het neusgat beslaat de helft van de lengte daarvan. Het bovenkaaksbeen heeft een beperkte lengte en beslaat minder dan de helft van de lengte van de snuit. Het bovenkaaksbeen bereikt de grootste hoogte onder het neusgat maar raakt het niet. Het heeft geen opgaande tak achter het neusgat. De achterste tak van het bovenkaaksbeen is matig verlengd maar raakt de voorrand van de oogkas niet en is aanzienlijk korter dan de tak van het traanbeen onder de oogkas. De beschrijvers zien een lichte deuk in de achterste neusbeenderen als de excavatio internasalis. In de deuk en boven de neusgaten is duidelijk een ovale opening zichtbaar, een groot foramen internasale. Het raakt de neusbeenderen net niet. Bij het fossiel hebben het linkerneusbeen en het rechterneusbeen een andere positie, vermoedelijk door tafonomische vervorming. Vermoedelijk beslaat het neusbeen niet meer dan 40% van de snuit beslaat. Het traanbeen raakt vooraan het neusgat. Er is een kleine horizontaal gerichte ovale opening die een beenboog vormt met de achterste onderrand van het neusgat. Massare heeft een gelijkvormige structuur waargenomen bij Ichthyosaurus somersetensis. De voorste tak van het jukbeen is breed en bedekt de achterrand van het bovenkaaksbeen die achter de voorrand van het traanbeen ligt. Het prefrontale wordt van het voorhoofdsbeen gedrongen door het neusbeen en raakt ook het neusgat niet. Het kleine ovale foramen pineale heeft twee kleine richels langs de achterste buitenrand. De voorhoofdsbeenderen zijn spoelvormig, dun achteraan, met de grootste dikte ter hoogte van het foramen en weer dun vooraan. De oogkas heeft een ronde voorrand. De scleraalring telt minstens veertien plaatjes en misschien achttien tot twintig. De oogkas steekt ondanks een diameter van vijfenzeventig millimeter niet uit van de snuit maar lijkt er geleidelijk in over te lopen.

Ook van de onderkaak ontbreekt de achterkant. Delen van het angulare en surangulare zijn aanwezig. De onderkaak is goed ontwikkeld met een rechte onderrand.

De kegelvormige tanden staan in een tandgroeve. Er zijn er achtentachtig in de rechterzijde met een lengte van vier tot vijftien millimeter.

Fylogenie

Gadusaurus werd in 2025 in de Baracromia geplaatst als zustersoort van Chacaicosaurus. Hun klade was weer de zustergroep van de Ophthalmosauridae.

Neoichthyosauria

Literatuur