Baretaardster

Baretaardster
Baretaardster
Taxonomische indeling
Rijk:Fungi (Schimmels)
Stam:Basidiomycota
Klasse:Agaricomycetes
Onderklasse:Phallomycetidae
Orde:Geastrales
Familie:Geastraceae
Geslacht:Geastrum
Soort
Geastrum striatum
DC. (1805)
zijaanzicht met kenmerkende uitstulping aan de onderzijde
Synoniemen

Geastrum bryantii

Afbeeldingen op Wikimedia Commons
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schimmels

De baretaardster (Geastrum striatum) is een buikzwam uit de familie Geastraceae. De soort is herkenbaar aan het donkere, vaak baretvormig ingedeukte sporenbolletje, de geplooide mondzone en de scherp begrensde, kraagvormige uitstulping aan de onderzijde van het bolletje. De schimmel leeft saprotroof op de bodem, vooral in bossen en struwelen.

Kenmerken

Uiterlijke kenmerken

De ongeopende vruchtlichamen zijn bolvormig tot afgeplat bolvormig, soms uivormig, en meten doorgaans 15–30 mm in diameter. Ze ontwikkelen zich meestal geheel ondergronds en zijn aan de buitenzijde bedekt met vastgegroeide aarde.

Bij rijpheid scheurt de buitenwand (exoperidium) stervormig open in meestal zes tot elf slippen. De slippen zijn niet hygroscopisch en buigen naar buiten en onderen, waardoor het sporenbolletje boven de bodem wordt opgetild. De uitgespreide slippenkrans meet doorgaans 25–55 mm in diameter, met uitschieters daarbuiten. De onderzijde van de slippen blijft bedekt met vastgegroeide bodemdeeltjes.

Het sporenbolletje (endoperidium) is ongeveer 8–19 mm breed, meestal donkerbruin tot bijna zwart en dikwijls aan de bovenzijde afgeplat of ingedeukt. Het staat op een duidelijk steeltje dat witachtig tot bruinachtig is en volgens een uitgebreide morfologische studie meestal 2–9 mm lang is. Aan de onderzijde van het bolletje bevindt zich een opvallende, scherpe, ringvormige uitstulping (apofyse). Deze lijkt op een afhangende kraag en wordt vooral bij ingedroogde vruchtlichamen duidelijk zichtbaar.

Bij jonge vruchtlichamen kan het oppervlak van het sporenbolletje bedekt zijn met een grijswit, meelachtig laagje (mesoperidium). Dit bestaat uit schimmeldraden en kristallijn materiaal. Bij het ouder worden verdwijnt de bedekking grotendeels en wordt het donkere, gladde endoperidium zichtbaar.

De mondopening (peristoom) bevindt zich op een kegelvormige verhoging en is straalsgewijs gevoord en geplooid. In een morfologische revisie werden 19–36 plooien vermeld. De mondzone is soms duidelijk begrensd en heeft een karakteristiek gestreept uiterlijk.

De rijpe gleba, de sporenmassa binnen het bolletje, is donkerbruin. Via de mondopening worden de sporen verspreid. De sporenmassa heeft een donkerbruine kleur.

Microscopische kenmerken

Sporen

De basidiosporen zijn bolvormig en geelbruin tot bruin. Volgens Jalink (1995) meten zij ongeveer 4,3–5,5(–6,0) µm in diameter, inclusief ornamentatie. Zamora et al. (2015) vermelden een diameter van 5,0–6,0 µm, eveneens inclusief ornamentatie.

Het sporenoppervlak is duidelijk wrattig. De ornamentatie bestaat uit afzonderlijke, soms onregelmatig gevormde wratten, die gedeeltelijk een zuilvormig of knotsvormig uiterlijk kunnen hebben. Volgens Zamora et al. (2015) zijn deze uitsteeksels 0,5–1,0 µm hoog. De wratten zijn onder de lichtmicroscoop waarneembaar, maar hun exacte vorm wordt vooral zichtbaar met een rasterelektronenmicroscoop.

Bij Argentijns materiaal werden bolvormige sporen van 4,0–5,5 µm beschreven, met vingervormige uitsteeksels tot 0,5 µm hoog. De onderzoekers vermeldden dat de sporen geen zichtbare oliedruppel hebben en een apiculus tot 1 µm lang kunnen bezitten.

Capillitium en columella

De capillitiumdraden zijn langgerekte, overwegend rechte, dikwandige en meestal onvertakte hyfen die tussen de sporen liggen. Ze zijn bruinachtig en kunnen oppervlakkig bedekt zijn met kleine deeltjes en resten uit de gleba. De diameter bedraagt doorgaans enkele micrometers; Jeppson et al. (2013) vermelden een maximale dikte van circa 8 µm, terwijl bij Argentijns materiaal draden van 5–10 µm werden gemeten.

In het midden van het sporenbolletje bevindt zich een goed ontwikkelde columella. Dit is een steriele, centraal gelegen structuur die zich vanuit de basis tot hoog in de gleba kan uitstrekken.

Peridium en kristallen

De buitenwand van het vruchtlichaam bestaat uit verschillende lagen. De buitenste myceliumlaag is vergroeid met bodemdeeltjes. Daaronder bevinden zich een vezelige laag en een pseudoparenchymatische laag.

De pseudoparenchymatische laag bestaat uit relatief grote, dunwandige cellen. Volgens Zamora et al. (2015) bedraagt de wanddikte van deze cellen meestal niet meer dan 1 µm.

Op het oppervlak van het jonge endoperidium bevindt zich een mesoperidium met hyfen en talrijke kristallen van calciumoxalaat. De grootste kristallen hebben volgens Zamora et al. (2015) een diameter van ongeveer 5–15 µm en zijn vaak dubbelpiramidaal van vorm. Het betreft kristallen van calciumoxalaatdihydraat.

Gelijkende soorten

Jonge exemplaren van de baretaardster kunnen worden verward met de grote aardster (Geastrum pectinatum). Beide soorten hebben een gesteeld sporenbolletje en een geplooide mondzone. De grote aardster heeft doorgaans grotere vruchtlichamen. Een belangrijk onderscheid is de vorm van de apofyse: bij de baretaardster is deze stevig, scherp begrensd en opvallend ringvormig. Dit kenmerk is vooral bij ingedroogde exemplaren goed zichtbaar.

Ecologie

De baretaardster leeft saprotroof op de bodem en breekt organisch materiaal af. De soort groeit vooral op droge, humusarme tot matig humusrijke, matig voedselrijke zandgronden. Zowel kalkrijke als kalkarme bodems worden bewoond.

In de Nederlandse kustduinen wordt de baretaardster vooral aangetroffen in duinstruwelen en kleine loofbosjes, in het bijzonder onder eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna). Andere veel voorkomende begeleidende struiken zijn gewone vlier (Sambucus nigra) en wilde kardinaalsmuts (Euonymus europaeus). De soort groeit hier vaak op plaatsen met een dunne, snel verterende strooisellaag.

In het binnenland verschijnt de soort onder meer onder es (Fraxinus excelsior) en iep (Ulmus). Ook groeiplaatsen onder eik (Quercus), den (Pinus) en populier (Populus) zijn bekend. De baretaardster wordt daarnaast gevonden in parken, tuinen, op begraafplaatsen, langs wegen en op rivierduinen.

Buiten Nederland is de soort eveneens bekend uit loof- en naaldbossen en uit door de mens beïnvloede milieus. Er zijn ook vondsten gedaan op compost en vergaan zaagsel. In Europese onderzoeken wordt een voorkeur voor relatief voedselrijke, stikstofhoudende groeiplaatsen genoemd.

Verspreiding

Nederland

In Nederland staat de baretaardster volgens de NDFF Verspreidingsatlas te boek als 'algemeen'. Het zwaartepunt van de verspreiding ligt in de kustduinen, zowel in het Renodunaal district als in het Waddendistrict. Daarnaast wordt de soort verspreid door het binnenland aangetroffen.

Langs de kust groeit de baretaardster vooral in duinstruwelen en bosjes. Binnenlandse vindplaatsen liggen relatief vaak in door de mens aangelegde of beïnvloede terreinen, zoals parken, begraafplaatsen, tuinen en wegbermen. Ook op rivierduinen komt de soort voor.

In oudere Nederlandse overzichten werd de baretaardster nog als vrij zeldzaam beschouwd. In het Overzicht van de Paddestoelen in Nederland uit 1995 werd bovendien melding gemaakt van een achteruitgang. Op de Nederlandse Rode Lijst van 2008 staat de soort in de categorie 'thans niet bedreigd'. De huidige zeldzaamheidsklasse 'algemeen' in de NDFF Verspreidingsatlas is gebaseerd op gevalideerde waarnemingen uit de periode 2004–2023.

Europa

De baretaardster is over een groot deel van Europa verspreid. Het zwaartepunt ligt in de gematigde klimaatzone. De soort is onder meer bekend uit West-, Midden- en Noord-Europa en komt ook plaatselijk in Zuid-Europa voor.

In Noord-Europa bereikt de soort ongeveer de 62e tot 63e breedtegraad. Vindplaatsen zijn onder andere bekend uit Schotland, Zuid-Noorwegen, Midden-Zweden, Zuid-Finland en Estland.

In Zuid-Europa is de baretaardster onder meer gedocumenteerd in Spanje. Bij Madrid werden vruchtlichamen onderzocht die onder naaldbomen en cipressen groeiden. Ook zijn vondsten bekend uit door groenblijvende eiken gedomineerde bossen.

Buiten Europa

De baretaardster wordt ook buiten Europa vermeld. Jeppson et al. (2013) noemen Noord-Amerika, Afrika en Australië als delen van het wereldwijde verspreidingsgebied.

Uit Zuid-Amerika zijn eveneens meldingen onder deze naam bekend. Hernández Caffot et al. (2014) beschreven vondsten in Argentinië, waaronder materiaal uit het Nationaal park Chaco. De soort was daar eerder vermeld uit de regio Buenos Aires.

Bij de interpretatie van oudere verspreidingsgegevens is enige voorzichtigheid nodig, omdat moleculair en morfologisch onderzoek heeft aangetoond dat binnen het geslacht Geastrum verschillende sterk gelijkende soorten voorkomen. Sommige vroeger als één soort opgevatte groepen zijn inmiddels taxonomisch opgesplitst.

Foto's