
Het godsoordeel of ordalie is een rechtsprocedure waarmee de wil van een god wordt vastgesteld. Dat kan gebeuren met een proef of met een tweegevecht, waarbij de god zijn kampioen aan de overwinning zou helpen. Zo zou de schuld of onschuld van voor het gerecht gedaagde personen vastgesteld kunnen worden.
In het Nabije Oosten was deze praktijk reeds bekend omstreeks het begin van het tweede millennium v.Chr., zoals in de Codex Hammurabi (1780 v.Chr.) die de waterproef voorschrijft bij de berechting van iemand die werd verdacht van tovenarij. In het Westen kwam de praktijk voor bij de Franken in de Romeinse tijd alsmede tijdens de middeleeuwen.
In de Hebreeuwse Bijbel wordt de wil van God gevraagd met Urim en Tummim. Ze konden een vraag met ja of nee beantwoorden, maar ze konden ook zwijgen. Hoe dit in zijn werk ging, wordt niet duidelijk uit de Hebreeuwse Bijbel.
Bij de proef met het bittere water moest een vrouw die werd verdacht van overspel 'bitter water' drinken. Als ze schuldig was verschrompelde haar schoot; als ze onschuldig was, gebeurde er niets.
Een godsoordeel kan ook op eenvoudigere wijze worden verkregen. In Handelingen 1:23-26 staat dat er geloot werd tussen Josef Barsabbas, die de bijnaam Justus had, en Mattias om te weten wie door God als vervanging van Judas Iskariot als apostel was aangewezen. Hoe er geloot werd is niet overgeleverd.
Het godsoordeel kon worden verkregen door de vuurproef, de waterproef of andere fysieke beproevingen. Het bewijsmiddel van het godsoordeel kon alleen worden ingeroepen tegen een ontkennende verdachte. Voor alle godsoordelen gold dat personen van aanzien zich konden laten vervangen door ondergeschikten of kampioenen. Zij zouden dan voor hem het leed moeten doorstaan, maar zijn schuld of onschuld hing dan ook van zijn vertegenwoordiger af.
De kerkelijke positie werd bepaald door Lucas 4:12: "Maar Jezus antwoordde: 'Er is gezegd: “Stel de Heer, uw God, niet op de proef.”'" Met het tweede Concilie van Valence veroordeelde de Rooms-Katholieke Kerk in 855 formeel het tweegevecht. Het Vierde Lateraans Concilie (1215) bepaalde dat geestelijken niet meer mochten meewerken aan godsoordelen. Mede door de opkomst van de inquisitoriale procedure waarbij niet langer partijen de bewijsvoering van een proces moesten leveren, maar door de rechter een onderzoek ex officio (= ambtshalve) werd ingesteld, verdween het godsoordeel snel. De professionele onderzoeksprocedure van de Inquisitie werd overgenomen door de strafrechtbanken. In de zestiende/zeventiende eeuw kwam het wellicht voor dat van hekserij beschuldigden aan de weegproef werden onderworpen - er zouden minstens dertien certificaten zijn uitgereikt bij de waag van Oudewater.