| Guus Mostart | ||
|---|---|---|
| Algemene informatie | ||
| Geboren | 1951 Den Haag | |
| Geboorteland | ||
| Beroep | Operaregisseur, operabestuurder | |
Guus Mostart (Den Haag, 1951) is een Nederlands operaregisseur en operabestuurder. Van 2000 tot 2013 was hij intendant van de Nationale Reisopera.
Mostart begon in 1972 als figurant bij de Nederlandse Operastichting en maakte er in 1977 zijn regiedebuut. Van 1977 tot 1985 werkte hij bij het Glyndebourne Festival, waar hij vanaf 1980 Director of Productions van de tourneegroep was en in 1984 werd benoemd tot Deputy to the Artistic Director. Hij regisseerde twee producties voor het Wexford Festival Opera en assisteerde Peter Hall bij diens Der Ring des Nibelungen in Bayreuth.
Van 1985 tot 1988 was hij directeur artistieke zaken van De Nederlandse Opera, van 1989 tot 1992 artistiek directeur van de Vancouver Opera en van 1993 tot 1999 directeur artistieke zaken van de English National Opera. In 1991 studeerde hij aan de Metropolitan Opera de Zauberflöte-enscenering van John Cox in.
Bij de Nationale Reisopera programmeerde hij tussen 2009 en 2012 Der Ring des Nibelungen in vier jaarlijkse delen. Kort voor zijn vertrek werd het gezelschap na een subsidieverlaging van zestig procent grotendeels ontmanteld. Bij zijn afscheid werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.
Mostart werd in 1951 in Den Haag geboren. Hij studeerde geneeskunde in Amsterdam en volgde daarnaast een cursus renaissancemuziek aan het conservatorium in Den Haag. Zijn eerste opera zag hij naar eigen zeggen pas op zijn achttiende, een uitvoering van Offenbachs Les contes d'Hoffmann die hem niet beviel. Toen hij korte tijd later in het koor meezong bij Monteverdi's L'Orfeo, besloot hij de geneeskunde op te geven voor de opera.
In de zomer van 1972 meldde hij zich bij de Nederlandse Operastichting, die figuranten betaalde. Zijn eerste optreden was als soldaat in Rigoletto. Een jaar later trad hij in algemene dienst bij de stichting, onder intendant Hans de Roo. Een jaar lang maakte hij er alle onderdelen van het productiewerk mee. Met een beurs van het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk volgde hij daarna een opleiding aan het London Opera Centre.
Mostart maakte zijn regiedebuut in 1977 met Bizets eenakter Le Docteur Miracle bij de Opera Studio, het onderdeel van de Operastichting waarin jonge zangers toneelervaring opdeden. Het jaar daarop nam hij La traviata opnieuw in studie, in de enscenering die Tito Capobianco er in 1974 had gemaakt. Voor de Opera Studio regisseerde hij in maart 1980 een dubbelprogramma van Le Docteur Miracle en A Dinner Engagement van Lennox Berkeley, met decors en kostuums van John Otto. Begin 1981 verzorgde hij de herinstudering van Hans en Grietje van Engelbert Humperdinck.
Het programmaboek van het Glyndebourne Festival vermeldt Mostart in 1977 als een van de vijf staff producers, naast onder anderen Graham Vick. Hij was er aanvankelijk in deeltijd aan verbonden, vanaf 1980 voltijd. Volgens het archief van het festival werkte hij er als assistent-, mede- en herinstuderend regisseur, betrokken bij onder meer Mozarts Die Zauberflöte (1978), Beethovens Fidelio (1979), Brittens A Midsummer Night's Dream (1981) en Glucks Orfeo ed Euridice (1982). Een belangrijk deel van zijn werk bestond uit het gereedmaken van die producties voor de tournees van de Glyndebourne Touring Opera. De Britse pers vermeldde hem daarbij doorgaans als producer. De Los Angeles Times meldde in juli 1979 dat hij op dat moment Halls enscenering van Così fan tutte uit 1978 instudeerde voor het festival. Hall noteerde daarover in zijn dagboek dat Mostart de eerste regisseur van gewicht was die Glyndebourne hem gaf om een van zijn producties opnieuw op te zetten. Hij bleef de oorspronkelijke opzet trouw, aldus Hall, maar had er onderdelen in ontwikkeld en veranderd.
Van 1980 tot 1985 was hij Director of Productions van de tourneegroep. In 1981 ontving hij de Carl Ebert Award, een nieuw ingestelde prijs ter nagedachtenis aan Carl Ebert, de eerste artistiek leider van het festival. Zijn benoeming tot Deputy to the Artistic Director volgde in 1984. In een interview uit 1988 werd die functie omschreven als plaatsvervanger van artistiek directeur Peter Hall.
Voor het Wexford Festival Opera regisseerde hij in 1982 een dubbelprogramma van Haydns Arianna a Naxos en L'isola disabitata en in 1985 Händels Ariodante onder Alan Curtis. John Otto ontwierp bij beide producties de decors en kostuums. Tom Sutcliffe noemde de L'isola disabitata in The Guardian fraai geregisseerd.
Tussen 1982 en 1984 assisteerde Mostart Peter Hall bij diens enscenering van Der Ring des Nibelungen in Bayreuth, die in 1983 in première ging onder muzikale leiding van Georg Solti. Hall had drie assistenten, onder wie Mostart, die hem ook in Glyndebourne terzijde had gestaan. De Volkskrant noemde hem in 2009 Halls rechterhand in Bayreuth. Operacriticus Paul Korenhof schreef datzelfde jaar dat de personenregie voor een groot deel aan Mostart te danken was.
Intendant Jan van Vlijmen maakte in december 1985 bekend dat Mostart bij De Nederlandse Opera zijn naaste medewerker en plaatsvervanger op artistiek gebied zou worden. Zijn functie heette directeur artistieke zaken. De rolbezetting behoorde tot zijn taken. Toen Van Vlijmen in februari 1987 in de Verenigde Staten verbleef, voerde Mostart namens het gezelschap het woord over een tekort dat sinds 1984 was opgelopen.
Het bestuur maakte begin maart 1988 bekend dat er geen nieuwe intendant zou komen. Er zou een artistiek directeur worden benoemd naast zakelijk directeur Truze Lodder. Bij artistieke meningsverschillen zou de zakelijk leider de eindverantwoordelijkheid krijgen. Mostart werd op maandag 7 maart op eigen verzoek non-actief gesteld. Hij verklaarde dat de artistieke koers die met Van Vlijmen was uitgezet werd verlaten en dat niet kwaliteit maar kwantiteit het uitgangspunt werd. Op de persconferentie werd meegedeeld dat hem eerder te verstaan was gegeven dat hij in Amsterdam niet de nieuwe artistiek directeur zou worden.
Enkele dagen later schortte het Concertgebouworkest de onderhandelingen met de opera op zolang het artistiek leiderschap niet behoorlijk was ingevuld. Bij de benoeming van Pierre Audi tot zijn opvolger, in juni 1988, schreef het Nieuwsblad van het Noorden dat zowel Van Vlijmen als Mostart zich had verzet tegen gelijkschakeling van de artistieke en de zakelijke directie. Tientallen prominenten uit de muziekwereld steunden hen daarin. Tegenover The Province omschreef Mostart zijn vertrek later als het gevolg van een artistiek geschil over de financiering. Rond diezelfde tijd vroeg intendant Gerard Mortier hem toe te treden tot de artistieke staf van de opera in Brussel, een aanbod dat hij naar eigen zeggen in beraad hield.
Mostart werd in oktober 1988 benoemd tot artistiek directeur van de Vancouver Opera. Hij volgde Brian McMaster op en trad aan met het seizoen 1989-90. Een van zijn eerste besluiten was de invoering van boventiteling, die zijn voorganger niet had toegestaan. Volgens The Canadian Encyclopedia bekleedde hij de functie drie seizoenen. Buiten het gezelschap zat hij in 1988 en 1990 in de internationale jury van de Worldwide Madame Butterfly Competition, in Viareggio en Miami.
Händels Alcina regisseerde hij in oktober 1990 zelf, de eerste opvoering van dat werk in Canada, met Kenneth Montgomery als dirigent en decors en kostuums van John Otto. Het gezelschap benoemde in juli 1991 Robert Hallam tot general director, een nieuwe functie waarin de artistieke en de zakelijke leiding werden samengevoegd. Mostarts contract liep tot het einde van het seizoen 1991-92. Bij zijn laatste productie, Don Pasquale in mei 1992, schreef Michael Scott dat die samenvoeging Mostart en Hallam op een onvermijdelijke botsing had gezet, en dat het publiek in de drie jaar van Mostarts artistieke leiding was teruggekeerd naar de opera.
Zijn debuut aan de Metropolitan Opera in New York volgde in januari 1991, met Die Zauberflöte. Het ging om de enscenering die John Cox in 1978 voor Glyndebourne had gemaakt en die daarna ook in San Francisco was gespeeld. Mostart was bij die oorspronkelijke productie betrokken geweest en studeerde haar in New York in als vervanger van de verhinderde Cox. De decors en kostuums waren van David Hockney. De voorstelling werd in juni 1991 door PBS uitgezonden en kwam in 1993 opnieuw op het repertoire. Het was zijn laatste regiewerk. Hij verklaarde in 2012 dat hij om zich heen mensen zag die het beter deden en er daarom mee was gestopt.
Opera Forum in Enschede wees Mostart in mei 1992 aan als beoogd artistiek leider van de reisopera die uit dat gezelschap moest voortkomen. Hij nam de opdracht onder voorwaarde aan. Met het bedrag uit het Kunstenplan kon hij niet de kwaliteit leveren waarvoor hij wilde instaan, liet hij meteen weten. Een jaar later had hij drie seizoenen samengesteld, met vier orkesten overlegd en premièreplaatsen vastgelegd in vijf steden. Het bedrag dat hij nodig achtte was dertien miljoen gulden, tegenover de 9,7 miljoen uit het Kunstenplan.
Dat plan stuitte op weerstand in Overijssel. De gemeente Enschede en de provincie stuurden een brandbrief aan minister Hedy d'Ancona. Volgens de Leeuwarder Courant leefde bij beide zware kritiek op het ministerie en op Mostart. Op 26 juni 1993 trok Mostart zich terug. Volgens het ANP-bericht gaven de financiële en bestuurlijke voorwaarden hem onvoldoende vertrouwen in de uitvoerbaarheid van zijn beleidsplan. Zijn vertrek ging in per 1 juli. Zelf zei Mostart in 2001 dat hij zich al zo vaak had uitgesproken over de ontoereikende subsidie dat hij ongeloofwaardig zou zijn geweest als hij de benoeming voor dat bedrag alsnog had aanvaard. Het Algemeen Dagblad noemde het in een ondertekend commentaar begrijpelijk dat hij was opgestapt, omdat wie kwaliteit eist daarvoor financiële garanties moet krijgen.
Mostart werd per 1 november 1993 directeur artistieke zaken van de English National Opera in Londen. Zijn functie heette in het Engels Director of Artistic Administration and Dramaturgy en omvatte planning, casting en dramaturgie. De afdeling was nieuw en was verantwoordelijk voor de repertoirekeuze en voor de aanstelling van solisten, regisseurs, ontwerpers en dramaturgen. Samen met general director Dennis Marks en chef-dirigent Sian Edwards vormde hij de nieuwe leiding van het gezelschap, als opvolgers van Peter Jonas, Mark Elder en David Pountney.
Het seizoen 1994-95 telde acht nieuwe producties en negen herinstuderingen. Nieuw waren onder andere de Britse première van Schnittkes Life with an Idiot en Tippetts King Priam, dat laatste ter gelegenheid van diens negentigste verjaardag. Bij de start van dat seizoen, waarmee het gezelschap een restauratiecampagne voor het London Coliseum lanceerde, kondigde Mostart aan bekende opera's te willen terughalen die te lang van het repertoire waren verdwenen. Na het vertrek van Marks in 1997 namen Mostart en chef-dirigent Paul Daniel de artistieke leiding waar tot er een opvolger was gevonden. Mostart verliet de English National Opera in april 1999, waarna de functie kwam te vervallen.
In 2000 trad Mostart aan als intendant van de Nationale Reisopera in Enschede, als opvolger van Louwrens Langevoort. Hij zou de functie twaalfeneenhalf jaar bekleden. Het eerste seizoen dat hij zelf samenstelde, 2001-02, opende met Fidelio onder Jaap van Zweden, die daarmee zijn operadebuut maakte. Verder stonden op het programma de Nederlandse première van Doves Flight, Verdi's Ernani, Händels Ariodante en Brittens The Turn of the Screw onder Reinbert de Leeuw.
Onder zijn leiding bracht het gezelschap de wereldpremière van Creon van Huub Kerstens en de Nederlandse première van Tippetts King Priam in een regie van Antony McDonald. Een convenant uit 2005 legde vast dat de Reisopera ten minste twintig jaar vanuit Enschede zou blijven werken. Het gezelschap kreeg daarvoor invloed op de nieuwbouw van het Muziekkwartier, dat in 2008 opende en de grootste orkestbak van Nederland kreeg.
Vanaf 2009 programmeerde hij Der Ring des Nibelungen in vier jaarlijkse delen, in een regie van Antony McDonald en onder muzikale leiding van Ed Spanjaard. Een complete cyclus in 2013 was voorzien, maar in 2011 werd bekend dat de rijkssubsidie met zestig procent zou worden verlaagd, van 8,5 naar 3,5 miljoen euro. Het gezelschap tekende bezwaar aan. Nadat dat in maart 2012 niet-ontvankelijk was verklaard, begon het een rechtszaak tegen het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Door de verlaging moest het gezelschap zijn eigen afdelingen afstoten en het merendeel van het personeel ontslaan. Tegen de Volkskrant zei hij dat hij er niet aan begonnen zou zijn als hij had geweten hoe het zou lopen. Hij droeg de leiding op 1 januari 2013 over aan Nicolas Mansfield.
Mostart was in 2013 lid van de jury van de eerste International Opera Awards, onder voorzitterschap van John Allison. Tot de overige juryleden behoorden David Gockley van de San Francisco Opera en Joan Matabosch van het Gran Teatre del Liceu. Hij is lid van de raad van toezicht van het Haagse operagezelschap Opera2Day.