Holle lading

De holle lading is een bepaalde vorm die aan een explosief gegeven kan worden. Deze vorm wordt veel toegepast bij antitankwapens; voor het ontsteken van kernwapens; in de civiele sector voor de demolitie van gebouwen en staalconstructies met behulp van snijladingen en in de olie- en gaswinning voor het perforeren van het onderste gedeelte van de boorpijp ter verhoging van de stromingssnelheid.

De theorie van de holle lading werd in 1888 beschreven door de Amerikaan Charles Edward Munroe. Holle ladingen werden voor het eerst op grote schaal aangewend door Duitse troepen bij de aanval op de geschutskoepels en kazematten van het fort Eben-Emael in de vroege ochtend van 10 mei 1940 bij de start van Fall Gelb.

Principe

Een granaat met een holleladingsgevechtskop. De holle lading ziet men in het midden met een licht gebogen kegelvormige uitsparing in het beige explosief; het witte explosief links is de aandrijflading in de huls; de kegel rechts is slechts voor de aerodynamica en heeft de ontsteker in de punt
Een zeer schematische doorsnede van een ontploffende holle lading; in bruin de metalen bekleding van de kegel; de rode lijn is de "stekel" van vervormd metaal, die overigens in het echt van achteren breder is
Een gehalveerde holle lading

Bij een bolvormig explosief zal er zich bij ontploffing zowel een naar buiten gerichte explosie voordoen, als een naar binnen gerichte implosie. Beide effecten hebben slechts een relatief geringe uitwerking op een stalen pantserplaat. Om met een normale explosie op een centimeter afstand een pantserplaat van maar twintig millimeter dikte te doen openscheuren, is al een zware lading van zo'n twintig kilo TNT nodig. De implosie is bij een bolvormige lading tamelijk krachteloos, omdat de implosiekrachten elkaar opheffen.

Anders wordt dat laatste als een grote kegelvormige uitsparing in de lengteas van een cilindervormig explosief wordt aangebracht. Wanneer een dergelijke "holle" lading ontploft, worden de implosiekrachten vanaf de kant die tegenover de uitsparing ligt niet meer in toom gehouden door een tegengestelde implosie. Er wordt dus een enorme kracht uitgeoefend in de lengteas van de lading in de richting van de opening. Tegelijkertijd wordt de implosie-energie van dat gedeelte van het explosief dat rond de uitsparing ligt, geconcentreerd in het centrum ervan. Door de wand van de kegelvormige uitsparing te bekleden met een laag zacht metaal, wordt dat door de implosie naar het centrum geslagen en daar met zo'n dertien kilometer per seconde naar buiten geworpen in de vorm van een "stekel". Dit gaat zo snel dat het metaal niet eens de tijd heeft te smelten: het wordt louter vervormd door een overschrijding van de maximale druk- en trekbelasting. Vaak noemt men dit, ietwat onnauwkeurig, een plasma of vereenvoudigt men het verhaal door onjuist toch van een "straal gesmolten metaal" te spreken. Doordat de vorming van de stekel een bepaalde tijd nodig heeft, al is dat nog geen milliseconde, verschilt de snelheid van de delen ervan nogal: de punt, die daar gevormd is waar de krachten het grootst zijn, en bestaat uit de delen van de metaalbekleding die dicht aan het oppervlak en rond het midden van de holle lading zaten, heeft de hoogste snelheid, tot 13 km/s. De grootste massa van het metaal zit echter in de "prop", die slechts tot één km/s versneld wordt. Hierdoor wordt de stekel, als hij daartoe de ruimte heeft, tot wel twee meter uitgerekt en valt daarna in stukken uiteen. Als er geen atmosfeer was, zouden de snelste daarvan de aarde verlaten, want hun snelheid ligt hoger dan de ontsnappingssnelheid; door de luchtweerstand gecombineerd met hun geringe massa worden ze in feite snel afgeremd.

Als de "hypertensiele" metalen stekel een pantserplaat raakt, oefent die een enorme kracht uit op een kleine oppervlakte en doorslaat die plaat met relatief gemak. De energie van een explosief kan hierdoor enkele duizenden malen efficiënter gebruikt worden dan bij een normale explosie. Dit is de reden dat de holle lading sinds de Tweede Wereldoorlog bij bijna alle projectielen gebruikt wordt die aan hun bewegingsenergie niet genoeg hebben: werpmijnen en projectielen gebruikt door terugslagloze kanonnen (zoals de Panzerfaust) en raketwerpers en geleide antitankraketten. Maar ook antitankgranaten die door (anti)tankkanonnen worden afgeschoten, maken vaak van dit principe gebruik, alsmede clusterbommen en antitankmijnen.

Behalve de metalen stekel, die een vrij smal gat in de pantserplaat boort, kunnen daarachter ook hete gassen het voertuig binnendringen en ontstaat er een drukgolf. De "prop" is van weinig belang voor de doorslag. Vanwege dit meervoudig effect wordt de holle lading in het Russisch een koemoelatiflading genoemd. De grootste schade wordt meestal door de stekel aangericht en aangezien die een vrij geringe massa heeft kan het effect, tenzij de brandstof- of munitievoorraad tot ontploffing komt, vaak — voor de aanvaller — teleurstellend gering zijn. Er bestaat een hardnekkige legende dat de bemanning door enkel de overdruk gedood zou worden. Tegenwoordig heeft een tank een anderhalfmaal hogere kans een holleladingspenetratie te overleven dan een doorslag door een staafpenetrator.

Geschiedenis

De uitwerking van een primitieve bolvormige holle lading op de bovenzijde van een ronde pantserkoepel van Fort Eben-Emael; de grote hoeveelheid explosief heeft de hele bovenkant geërodeerd en de pantserkoepel zelfs gespleten

De eerste holleladingswapens waren nog primitief en hadden de vorm van een halve bol. Al snel ontdekte men dat een kegel een efficiëntere vorm is. Het doorslagvermogen hangt af van de homogeniteit van de gebruikte materialen, de afstand waarop de lading tot ontploffing wordt gebracht, de diameter en overige vorm van de uitsparing, het gebruikte explosief en het toegepaste bekledende metaal, waarvan vooral de soortelijke massa relevant is. Vroeger gebruikte men vooral koper en lood en was de productiekwaliteit minder. Men bereikte toen typisch een doorslag die een- à anderhalfmaal die van de diameter van de gevechtskop bedroeg. Rond 1965 werden de gebruikte explosieven beter en het doorslagvermogen steeg tot viermaal de diameter bij een gevechtskop van 100 mm doorsnee en zesmaal de diameter bij 150 mm. De verhouding, die niet correct in een eenvoudige formule valt uit te drukken, is dus niet lineair maar eerder kwadratisch. De laatste decennia worden uranium en tantalium populairder. De holle lading is op zijn effectiefst wanneer zij op zo'n halve meter van het doel tot ontploffing wordt gebracht. De modernste typen hebben daarom een ver naar voren uitstekende magnetische ontsteker. De allerzwaarste operationele antitankraketten hebben een doorslagvermogen dat vermoedelijk de twee meter homogeen staal benadert.

Tegenmaatregelen

Ontwerpers van pantservoertuigen probeerden al snel methoden te verzinnen hun voertuigen tegen de nieuwe dreiging te beschermen. Dat leverde eerst niet al te veel op. De laatste dertig jaar zijn er echter grote vorderingen gemaakt. Verschillende typen zijn:

Deze tegenmaatregelen zijn vaak ook tegen andere dreigingen effectief, zoals granaten die gebruikmaken van bewegingsenergie; omgekeerd geeft pantser dat tegen staafpenetratoren effectief is, ook bescherming tegen de holleladingsstekel, waarvan het doorslagprincipe in wezen weinig verschilt. De modernste tanks hebben een frontpantser dat tegen penetratoren een bescherming biedt van zo'n meter pantserstaalequivalentie; dat is ruimschoots voldoende om ook lichte antitankraketten en raketten van een eerdere generatie dan de huidige te stoppen.

Nieuwe ontwikkelingen

Zoals meestal het geval is, hebben de tegenmaatregelen een wapenwedloop op gang gebracht. Antitankraketten zijn zwaarder geworden en efficiënter. Ook zijn de modernste in staat een pantservoertuig van boven aan te vallen, zodat het veel dunnere dakpantser geraakt wordt. Specifiek binnen de holleladingstechniek hebben zich drie ontwikkelingen voorgedaan:

Hoe een EFP gevormd wordt