| Gewone pendelvlieg | ||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||
| ||||||||||||
| Soort | ||||||||||||
| Helophilus pendulus (Linnaeus, 1758) Originele combinatie Musca pendula | ||||||||||||
| Een vrouwtje legt eitjes | ||||||||||||
| ||||||||||||
De gewone pendelvlieg (Helophilus pendulus) is een insect uit de familie zweefvliegen (Syrphidae). De wetenschappelijke naam van de soort werd als Musca pendula in 1758 gepubliceerd door Carl Linnaeus.
Evenals de andere soorten van het geslacht Helophilus heeft de vlieg zwarte en gele lengtestrepen op het borststuk. Het achterlijf heeft een patroon met gele, zwarte en grijze vlekken. Midden op de kop zit een streep. De lengte van de vleugel is 8,5–11,25 mm. Het dier is door middel van het kleurpatroon van de pootjes en de kale zwarte lengtestreep op het hoofd te onderscheiden van andere Helophilus-soorten. De vlieg lijkt enigszins op de verwante Helophilus hybridus en Helophilus trivittatus.
Het verschil tussen mannetjes en vrouwtjes is bij het geslacht Helophilus minder duidelijk aan de oogafstand te zien dan bij andere zweefvlieg genera. Het mannetje heeft de ogen wel wat dichter bij elkaar staan dan het vrouwtje maar de ogen raken elkaar nooit. Een beter onderscheidscriterium is het achterlijf. Het mannetje heeft een hoekiger 3e tergiet en een smal 4e tergiet (meer een knobbeltje). Tergiet 4 en 5 van het vrouwtje lopen uit in een punt. Het mannetje van Helophilus pendulus is meestal iets donkerder getint en soms te onderscheiden door de gescheiden zwarte tekening tussen tergiet 1 en 2. Bij het vrouwtje loopt de zwarte tekening van tergiet 1 altijd zonder onderbreking door op tergiet 2.
Deze in Nederland en Europa zeer algemene soort kan van april tot oktober overal op bloemen gevonden worden. De vlieg heeft een voorkeur voor vochtige graslanden met enige beschutting (struiken, struwelen, bosrand). De larven leven in en bij het water van grote meren en rivieren maar ook in gebieden zo klein als sloten, kleine vijvers of modderige plassen. Larven zijn zelfs aangetroffen in natte koeienmest of zeer nat oud zaagsel en leven van detritus.