| Hericium | ||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| kammetjesstekelzwam (Hericium coralloides) | ||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||
| ||||||||||
| Geslacht | ||||||||||
| Hericium Pers. (1794) | ||||||||||
| ||||||||||
Hericium is een geslacht van schimmels uit de familie Hericiaceae, behorend tot de orde Russulales. Het geslacht werd in 1794 beschreven door de Nederlandse mycoloog Christiaan Hendrik Persoon. De soorten vormen opvallende vruchtlichamen met naar beneden gerichte stekels waarop de sporen worden gevormd. Ze groeien op hout van loof- en naaldbomen en leven als saprotofen of parasieten.
De vruchtlichamen zijn doorgaans wit tot crèmekleurig en kunnen bij veroudering geelachtig of bruinachtig verkleuren. De vorm verschilt sterk tussen de soorten. Sommige soorten vormen compacte, min of meer bolvormige vruchtlichamen, terwijl andere sterk vertakte of uit verschillende lobben opgebouwde vruchtlichamen ontwikkelen.
Het hymenofoor, het sporenvormende gedeelte van het vruchtlichaam, bestaat uit stekels in plaats van lamellen of poriën. Deze stekels kunnen dicht opeen staan of in groepjes voorkomen. Hun lengte en plaatsing vormen belangrijke kenmerken bij de determinatie.
Bij de pruikzwam (Hericium erinaceus) hangen lange stekels aan een compact, grotendeels onvertakt vruchtlichaam. De kammetjesstekelzwam (Hericium coralloides) heeft daarentegen een sterk vertakt, koraalachtig vruchtlichaam met talrijke relatief korte stekels. De gelobde pruikzwam (Hericium cirrhatum) vormt overlappende, schelp- of waaiervormige lobben, waarvan vooral de onderzijde met stekels is bezet.
De basidiosporen zijn doorgaans breed ellipsoïde tot bijna bolvormig. Ze hebben een geornamenteerde wand en zijn amyloïd, wat betekent dat de sporenwand met Melzers reagens een blauwzwarte verkleuring kan vertonen.
De sporen worden gevormd op basidiën die zich op het oppervlak van de stekels bevinden. De microscopische kenmerken, waaronder de afmetingen en ornamentatie van de sporen, zijn naast de vorm van het vruchtlichaam van belang voor de soortafgrenzing.
Soorten van Hericium zijn houtbewonende schimmels. Ze kunnen witrot veroorzaken door bestanddelen van het hout, waaronder lignine, af te breken. Verschillende soorten leven saprotroof op dood hout, terwijl andere ook levende bomen kunnen aantasten en vervolgens op afgestorven hout kunnen doorgroeien.
In Europa komen verschillende soorten vooral voor op oude bomen, dikke stammen en groot dood hout. De gastheer verschilt per soort.
Door de afbraak van hout dragen deze schimmels bij aan de kringloop van voedingsstoffen in bosecosystemen.
Het geslacht heeft een brede geografische verspreiding. Soorten zijn bekend uit Europa, Azië, Noord-Amerika, Zuid-Amerika, Afrika en Nieuw-Zeeland. Verschillende soorten hebben een beperkt geografisch verspreidingsgebied, terwijl andere over grotere delen van het noordelijk halfrond voorkomen.
In Nederland zijn drie soorten bekend:
Deze soorten komen onder meer voor in loofbossen, parken, oude landgoederen en lanen met oude bomen.
Volgens de Nederlandse Rode Lijst van 2008 geldt de gelobde pruikzwam als bedreigd en de kammetjesstekelzwam als ernstig bedreigd. Voor hun voortbestaan zijn onder meer oude bomen en het behoud van geschikt dood hout van belang.
Het geslacht Hericium werd in 1794 door Persoon gepubliceerd. De taxonomische afbakening van verschillende soorten, vooral de koraalachtig vertakte vertegenwoordigers, is in de loop van de tijd herhaaldelijk gewijzigd.
Een moleculair fylogenetisch onderzoek van Koga, Thorn en Langer uit 2025, gebaseerd op de DNA-regio's ITS en LSU en de genen TEF-1α en RPB2, ondersteunde de afgrenzing van verschillende afzonderlijke soorten. In dit onderzoek werden onder meer H. alpestre, H. americanum, H. abietis, H. cirrhatum en verschillende leden van het H. erinaceus-complex onderscheiden.
Er bestaan verschillen tussen de taxonomische behandeling in dit onderzoek en in nomenclatorische databanken. Zo wordt Hericium alpestre in Species Fungorum als synoniem van Hericium flagellum behandeld, terwijl Koga en collega's H. alpestre als afzonderlijke soort onderscheiden en H. flagellum tot H. coralloides rekenen.
Tot het geslacht behoren onder meer de volgende soorten:
Verschillende soorten uit het geslacht zijn eetbaar en worden gekweekt voor consumptie. Vooral Hericium erinaceus, internationaal bekend als lion's mane, wordt op commerciële schaal geteeld.
Het geslacht is daarnaast onderwerp van biochemisch en farmacologisch onderzoek. Daarbij worden onder meer polysachariden, hericenonen en erinacinen onderzocht vanwege hun mogelijke biologische activiteit. Een groot deel van het onderzoek bestaat uit laboratorium- en dierstudies; de aanwezigheid van dergelijke stoffen betekent niet dat een geneeskundige werking bij mensen is aangetoond.