| Herman Johan Royaards | ||
|---|---|---|
Royaards, postuum geportretteerd door Johan Heinrich Neuman (1854) | ||
| Persoonlijke gegevens | ||
| Volledige naam | Herman Johan Royaards | |
| Geboortedatum | 3 oktober 1794 | |
| Geboorteplaats | Utrecht | |
| Overlijdensdatum | 2 januari 1854 | |
| Overlijdensplaats | Utrecht | |
| Nationaliteit | Nederlands | |
| Beroep | Theoloog, predikant, hoogleraar | |
| Religie | Nederlands-hervormd | |
| Academische achtergrond | ||
| Alma mater | Universiteit Utrecht | |
| Proefschrift | Disputatio inauguralis de altera Pauli ad Corinthios epistola, et observanda in illa apostoli indole et oratione (1818) | |
| Promotor | Hermannus Royaards | |
| Wetenschappelijk werk | ||
| Vakgebied | Kerkgeschiedenis, kerkrecht | |
| Universiteit | Universiteit Utrecht | |
| Soort hoogleraar | buitengewoon hoogleraar (1823–1826) gewoon hoogleraar (1826–1854) | |
| Erkenning en lidmaatschap | ||
| Ambt | rector magnificus van de Universiteit Utrecht | |
| Lid van | Koninklijk Nederlands Instituut (1840) | |
| Links | ||
| Dbnl-profiel | ||
Herman Johan Royaards (Utrecht, 3 oktober 1794 – aldaar, 2 januari 1854), in bronnen ook geschreven als Roijaards, was een Nederlands-hervormd theoloog, predikant en kerkhistoricus. Van 1823 tot zijn overlijden was hij hoogleraar aan de Universiteit Utrecht, waar hij de kerkgeschiedenis en het kerkrecht als zelfstandige vakgebieden hielp ontwikkelen. Hij was tweemaal rector magnificus en publiceerde onder meer over de geschiedenis van het christendom in Nederland.
Royaards was de jongste zoon van de Utrechtse hoogleraar theologie Hermannus Royaards (1753–1825) en Johanna Henriette Schorer. Na de Latijnse school werd hij in december 1810 ingeschreven aan de Utrechtse hogeschool. De filosoof Philip Willem van Heusde wekte zijn belangstelling voor een wijsgerig opgevatte geschiedschrijving. Voor zijn theologische vorming volgde Royaards onder anderen colleges bij zijn vader, Gabriël van Oordt, Jodocus Heringa en Johan Hendrik Pareau. In 1811 behoorde hij tot de oprichters van de historische studentenkring Historia Duce, later Utile Dulci genoemd. Tijdens de Honderd Dagen van 1815 sloot hij zich aan bij een Utrechts studentenkorps van vrijwilligers.
Op 12 maart 1818 promoveerde Royaards bij zijn vader in de theologie. Zijn Latijnse proefschrift behandelde de Tweede brief van Paulus aan de Korintiërs, in het bijzonder het karakter en de stijl van Paulus. Na zijn kerkelijk examen werd hij op 14 februari 1819 bevestigd als hervormd predikant te Meerkerk. Tijdens de overstroming van 1820 hielp hij er bij de ondersteuning van getroffen inwoners. Een verhandeling over het boek Daniël, die hij naast zijn gemeentewerk schreef, werd door het Haagsch Genootschap tot Verdediging van de Christelijke Godsdienst met goud bekroond en verscheen in 1821.
In maart 1823 nam Royaards een beroep naar Schiedam aan, maar voordat hij daar predikant kon worden, volgde zijn benoeming tot buitengewoon hoogleraar in Utrecht. Hij aanvaardde het ambt op 20 juni 1823 met de rede De hominum gentiumque varietate in Christianae Societatis historia observanda. Zijn leeropdracht omvatte kerkgeschiedenis en christelijke zedenkunde; tevens werd hij academieprediker. Na het overlijden van zijn vader werd hij tot gewoon hoogleraar benoemd. Op 3 maart 1826 hield hij daarvoor de intreerede De theologia historica cum sacri codicis exegesi rite conjuncta, nostris potissimum temporibus in Belgio excolenda.
Royaards was rector magnificus in de studiejaren 1834–1835 en 1849–1850. Tot zijn studenten behoorden onder anderen de latere Utrechtse hoogleraar Jan Hendrik Scholten en Johannes Jacobus van Oosterzee. Hij werd in 1840 erelid van het Koninklijk Nederlands Instituut, een voorloper van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Verder was hij ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en werd hij in 1849 commandeur in de Orde van de Eikenkroon. Royaards bleef tot zijn dood hoogleraar. Hij overleed na een korte, hevige ziekte op 2 januari 1854 in Utrecht.
Royaards beschouwde kerkgeschiedenis als onderdeel van een bredere historische theologie, die volgens hem met Bijbelexegese verbonden moest blijven. In zijn onderwijs en publicaties besteedde hij niet alleen aandacht aan gebeurtenissen en instellingen, maar ook aan de ontwikkeling van godsdienstige denkbeelden. Zijn aanpak was mede gevormd door Van Heusde: historische feiten moesten in hun onderlinge verband, oorzaken en gevolgen worden geplaatst.
Samen met zijn neef, de Leidse hoogleraar Nicolaas Christiaan Kist, nam Royaards het initiatief tot het Archief voor kerkelijke geschiedenis, inzonderheid van Nederland. Het eerste deel verscheen in 1829. Nederland had voordien geen vergelijkbaar gespecialiseerd kerkhistorisch tijdschrift. De redacteuren wilden nieuwe bronnen opsporen, beschrijven en uitgeven en zo materiaal beschikbaar maken voor verder onderzoek. Royaards leverde aan de opeenvolgende reeksen van het tijdschrift onder meer bijdragen over de Spaanse inquisitie, kerkelijke archiefstukken, concordaten en de Reformatie in Utrecht.
Met het tweedelige Hedendaagsch kerkregt bij de Hervormden in Nederland (1834–1837) vroeg hij aandacht voor een destijds in Nederland weinig beoefend vak. Hij verdedigde de zelfstandigheid van kerkbestuur en kerkelijke armenzorg tegenover de staat, maar wilde de bestaande band tussen kerk en staat niet zonder meer verbreken. Ook keerde hij zich tegen kerkelijke beperkingen van de wetenschappelijke vrijheid van hoogleraren.
Royaards' voornaamste historische syntheses waren Geschiedenis der invoering en vestiging van het Christendom in Nederland (1842) en het daarop aansluitende tweedelige Geschiedenis van het gevestigde Christendom en de Christelijke kerk in Nederland, gedurende de middeleeuwen (1849–1853). Voor het eerstgenoemde onderzoek ontving hij in 1840 een prijs van de tweede klasse van het Koninklijk Nederlands Instituut. De werken steunden op uitgebreid bronnenonderzoek en boden een ordening van een tot dan toe versnipperd onderzoeksgebied. De kerkhistoricus Willem Moll oordeelde later dat Royaards' stijl omslachtig was en zijn beschouwingen soms de feiten overschaduwden, maar stelde tegelijk dat zijn ordening van het materiaal de wetenschap een belangrijke stap vooruit had gebracht. Molls eigen synthese heeft Royaards' boeken later grotendeels verdrongen.