Hintighernia

Hintighernia is een geslacht van pterosauriërs, behorende tot de Pterodactyloidea, dat tijdens het vroege Krijt leefde in het gebied van het huidige Engeland. De enige benoemde soort is Hintighernia edingerae.

Vondst en naamgeving

In 1871 benoemde Harry Govier Seeley een Ornithostoma sedgwicki op basis van drie kaakfragmenten die hij aantrof in de collectie van het Cambridge Sedgwick Museum. In 1914 wees Reginald Walter Hooley een hersenpan aan de soort toe in dezelfde collectie aangetroffen. Later werd duidelijk dat die toewijzing geen basis had in de feiten. Wel was het een verbetering ten opzichte van de analyse door Seeley die ten onrechte uit het achterhoofd had afgeleid dat Ornithocheirus een schedelkam had, a myth volgens Hooley. In de eenentwintigste eeuw wees onderzoek erop dat het een aparte soort betrof.

In 2026 werd de typesoort Hintighernia edingerae benoemd en beschreven door Rubi Vargas Pêgas, Kamila Luisa Nogueira Bandeira, Darren Naish en Borja Holgado. De geslachtsnaam is een combinatie van het keltische protobrits hɨnt, "heer" en tɨɣern (uitgesproken met een zachte g), "pad", als vertaling van het verwante geslacht Tapejara, de "Heer der Paden". De soortaanduiding eert de Duitse paleontologe Johanna Ottilie Edinger, de grondlegster van de paleoneurologie. Zij beschreef in 1927 een natuurlijk afgietsel van een pterosauriërbrein, ook bij Cambridge gevonden, dat erg leek op dat van Hintighernia. De Life Science Identifiers zijn 9EB158FA-3420-4AA2-A702-7C92C03DCF66 voor het geslacht en 7357707C-135D-46A3-AAC6-5352A7BEAA77 voor de soort.

Het holotype, CAMSM B54406, komt waarschijnlijk uit de Cambridge Greensand Member van de West Melbury Marly Chalk Formation. Deze afzetting dateert uit het Cenomanien maar de fossielen erin zijn herwerkt uit oudere lagen uit het Albien. Ze zijn daarbij gebroken en afgesleten geraakt. Het holotype bestaat uit een stuk hersenpan met eraan vast een zeldzaam natuurlijk afgietsel van beide hersenhelften. Verder is er een afgebroken basis van een schedelkam zichtbaar. Het betreft vermoedelijk een volwassen individu.

Een gebroken stuk snuit, specimen CAMSM B40091, is toegewezen aan een cf. Hintighernia.

Beschrijving

Grootte en onderscheidende kenmerken

De spanwijdte van Hintighernia is geschat op twee à drie meter. Het holotype op zich is zo'n zes centimeter lang.

De beschrijvers stelden enkele onderscheidende kenmerken vast. Drie ervan zijn autapomorfieën, unieke afgeleide eigenschappen. De achterrand van het bovenste slaapvenster is sterk golvend in zijaanzicht. De richel voor de aanhechting van de sluitspier waaiert naar achteren uit van de bovenrand van het frontoparietale af. Op het supraoccipitale loopt een robuuste middenrichel naar beneden tot de rand van het achterhoofdsgat.

Daarnaast is er een unieke combinatie van twee op zich niet unieke kenmerken. De bovenrand van de kam op de wandbeenderen is schuin naar boven en achteren gericht. De foramina in het supraoccipitale, waaronder het gat voor de achterste middelste hersenader, hebben min of meer een rond profiel.

Skelet

Op het achterhoofd stond een kam die vermoedelijk naar achteren en boven kromde. Daar liep hij wellicht naar voren over in een hoornplaat die tot aan de kam op de voorste wandbeenderen reikte.

Literatuur