ISO 25010

ISO 25010 (voluit ISO/IEC 25010) is een internationale norm voor de beoordeling van de kwaliteit van software en andere ICT-producten. De eerste editie verscheen in 2011 en is ingetrokken; de tweede editie, ISO/IEC 25010:2023, werd gepubliceerd in november 2023.

Waar de editie uit 2011 zowel een productkwaliteitsmodel als een model voor kwaliteit tijdens gebruik bevatte, richt ISO/IEC 25010:2023 zich op het productkwaliteitsmodel. Het model voor kwaliteit tijdens gebruik is ondergebracht in ISO/IEC 25019:2023.

ISO/IEC 25010:2023

ISO/IEC 25010:2023 definieert een productkwaliteitsmodel waarmee eigenschappen van software en andere ICT-producten kunnen worden gespecificeerd, gemeten en geëvalueerd. De tweede editie van de norm werd gepubliceerd in november 2023 en verving, samen met ISO/IEC 25002 en ISO/IEC 25019, de eerdere editie ISO/IEC 25010:2011.

Doel en toepassing

ISO/IEC 25010:2023 biedt een referentiemodel voor productkwaliteit. Het model kan worden gebruikt bij het opstellen van kwaliteitseisen, het bepalen van ontwerp- en testdoelen, kwaliteitsborging, acceptatiecriteria en het vaststellen van meetbare kwaliteitskenmerken gedurende de levenscyclus van een product. De norm is bedoeld voor onder meer softwareontwikkelaars, opdrachtgevers, medewerkers voor kwaliteitsborging en -controle en onafhankelijke beoordelaars.

De norm kan worden toegepast op verschillende soorten ICT-producten, waaronder software, firmware, hardwarecomponenten, data, communicatiesystemen en onderdelen van informatiesystemen.

Productkwaliteitsmodel

Het productkwaliteitsmodel van ISO/IEC 25010:2023 bestaat uit negen kwaliteitskenmerken, die elk verder zijn onderverdeeld in subkenmerken.

Kwaliteitskenmerk Betekenis Subkenmerken
Functionele geschiktheid De mate waarin een product functies biedt die voldoen aan expliciete en impliciete behoeften. Functionele volledigheid, functionele correctheid, functionele passendheid
Prestatie-efficiëntie De mate waarin een product prestaties levert in verhouding tot gebruikte middelen. Tijdgedrag, resourcegebruik, capaciteit
Compatibiliteit De mate waarin een product kan samenwerken met andere producten, systemen of componenten. Co-existentie, interoperabiliteit
Interactiegeschiktheid De mate waarin gebruikers effectief met het product kunnen interacteren via de gebruikersinterface. Herkenbaarheid van passendheid, leerbaarheid, bedienbaarheid, bescherming tegen gebruikersfouten, gebruikersbetrokkenheid, inclusiviteit, gebruikersondersteuning, zelfbeschrijvendheid
Betrouwbaarheid De mate waarin een product gespecificeerde functies onder gespecificeerde omstandigheden gedurende een bepaalde periode uitvoert. Foutloosheid, beschikbaarheid, fouttolerantie, herstelbaarheid
Beveiliging De mate waarin een product informatie en gegevens beschermt tegen onbevoegde toegang of wijziging. Vertrouwelijkheid, integriteit, onweerlegbaarheid, verantwoording, authenticiteit, weerstand
Onderhoudbaarheid De mate waarin een product effectief en efficiënt kan worden aangepast, verbeterd of gerepareerd. Modulariteit, herbruikbaarheid, analyseerbaarheid, wijzigbaarheid, testbaarheid
Flexibiliteit De mate waarin een product kan worden aangepast aan veranderende eisen, gebruikscontexten of systeemomgevingen. Aanpasbaarheid, schaalbaarheid, installeerbaarheid, vervangbaarheid
Veiligheid De mate waarin een product voorkomt dat menselijk leven, gezondheid, eigendom of milieu in gevaar komt. Operationele begrenzing, risico-identificatie, fail-safe-gedrag, gevarenwaarschuwing, veilige integratie

Verschillen met ISO/IEC 25010:2011

Ten opzichte van ISO/IEC 25010:2011 is de scope van het productkwaliteitsmodel verbreed naar verschillende soorten ICT-producten en informatiesystemen. Daarnaast zijn enkele kwaliteitskenmerken hernoemd of toegevoegd. Zo is usability vervangen door interaction capability, portability door flexibility, en is safety toegevoegd als afzonderlijk kwaliteitskenmerk.

Ook zijn verschillende subkenmerken gewijzigd. Inclusiviteit en zelfbeschrijvendheid zijn toegevoegd aan interactiegeschiktheid, weerstand is toegevoegd aan beveiliging en schaalbaarheid is toegevoegd aan flexibiliteit. Verder is toegankelijkheid opgesplitst in inclusiviteit en gebruikersondersteuning.

ISO/IEC 25010:2011

ISO/IEC 25010:2011 verving in 2011 de ISO-norm 9126. De norm is ingetrokken en is vervangen door drie nieuwe ISO-normen: ISO/IEC 25002:2024, ISO/IEC 25010:2023 en ISO/IEC 25019:2023.

Het model voor productkwaliteit onderscheidde acht hoofdcategorieën die elk waren onderverdeeld in kwaliteitseigenschappen, 31 in totaal[bron?]. Naast het model voor productkwaliteit beschreef de norm ook een model voor kwaliteit tijdens gebruik. Dit model onderscheidde vijf hoofdcategorieën die waren onderverdeeld in 11 kwaliteitseigenschappen[bron?].

De onderstaande tabel geeft de kwaliteitskenmerken en subkenmerken van beide modellen uit 2011, met hun betekenis.[bron?]

Kwaliteitskenmerk Betekenis Subkenmerk Betekenis subkenmerk
Productkwaliteit (Product quality)
Functionele geschiktheid (Functional suitability) De mate waarin een softwareproduct of computersysteem functies levert die voldoen aan de uitgesproken en veronderstelde behoeften, bij gebruik onder gespecificeerde condities. Functionele compleetheid (Functional completeness) De mate waarin de set van functionaliteiten alle gespecificeerde taken en gebruikersdoelen ondersteunt.
Functionele correctheid (Functional correctness) De mate waarin een softwareproduct of computersysteem de juiste resultaten met de benodigde nauwkeurigheid beschikbaar stelt.
Functionele toepasselijkheid (Functional appropriateness) De mate waarin de functies bijdragen aan het behalen van specifieke taken en doelen.
Prestatie-efficiëntie (Performance efficiency) De prestaties in verhouding tot de hoeveelheid middelen gebruikt onder genoemde condities. Snelheid (Time-behaviour) De mate waarin antwoord- en verwerkingstijden en doorvoersnelheid van een product of systeem, tijdens de uitvoer van zijn functies, voldoen aan de wensen.
Middelenbeslag (Resource utilization) De mate waarin de hoeveelheid en het type middelen die gebruikt worden door een product of systeem, tijdens de uitvoer van zijn functies, voldoen aan de wensen.
Capaciteit (Capacity) De mate waarin de maximale limieten van een product- of systeemparameter voldoen aan de wensen.
Uitwisselbaarheid (Compatibility) De mate waarin een product, systeem of component informatie uit kan wisselen met andere producten, systemen of componenten, en/of het de gewenste functies kan uitvoeren terwijl het dezelfde hard- of softwareomgeving deelt. Beïnvloedbaarheid (Co-existence) De mate waarin een product zijn gewenste functies efficiënt kan uitvoeren terwijl het een gemeenschappelijke omgeving en middelen deelt met andere producten, zonder nadelige invloed op enig ander product.
Koppelbaarheid (Interoperability) De mate waarin twee of meer systemen, producten of componenten informatie kunnen uitwisselen en de uitgewisselde informatie kunnen gebruiken.
Bruikbaarheid (Usability) De mate waarin een product of systeem gebruikt kan worden door gespecificeerde gebruikers om effectief, efficiënt en naar tevredenheid gespecificeerde doelen te bereiken in een gespecificeerde gebruikscontext. Herkenbaarheid van geschiktheid (Appropriateness recognisability) De mate waarin gebruikers kunnen herkennen of een product of systeem geschikt is voor hun behoeften.
Leerbaarheid (Learnability) De mate waarin een product of systeem gebruikt kan worden door gespecificeerde gebruikers om gespecificeerde leerdoelen te bereiken met betrekking tot het gebruik van het product of systeem met effectiviteit, efficiëntie, vrijheid van risico en voldoening, in een gespecificeerde gebruikscontext.
Bedienbaarheid (Operability) De mate waarin een product of systeem attributen heeft die het makkelijk maken om het te bedienen en beheersen.
Voorkomen gebruikersfouten (User error protection) De mate waarin het systeem gebruikers beschermt tegen het maken van fouten.
Volmaaktheid gebruikersinteractie (User interface aesthetics) De mate waarin een gebruikersinterface het de gebruiker mogelijk maakt om een plezierige en voldoening gevende interactie te hebben.
Toegankelijkheid (Accessibility) De mate waarin een product of systeem gebruikt kan worden door mensen met de meest uiteenlopende eigenschappen en mogelijkheden om een gespecificeerd doel te bereiken in een gespecificeerde gebruikscontext.
Betrouwbaarheid (Reliability) De mate waarin een systeem, product of component gespecificeerde functies uitvoert onder gespecificeerde condities gedurende een gespecificeerde hoeveelheid tijd. Volwassenheid (Maturity) De mate waarin een systeem, product of component aan betrouwbaarheidsbehoeften voldoet onder normale werkomstandigheden.
Beschikbaarheid (Availability) De mate waarin een systeem, product of component operationeel en toegankelijk is wanneer men het wil gebruiken.
Foutbestendigheid (Fault tolerance) De mate waarin een systeem, product of component werkt zoals bedoeld ondanks de aanwezigheid van hard- of softwarefouten.
Herstelbaarheid (Recoverability) De mate waarin het product of systeem, in geval van een onderbreking of bij een fout, de direct betrokken gegevens kan herstellen en het systeem in de gewenste staat kan terugbrengen.
Beveiligbaarheid (Security) De mate waarin een product of systeem informatie en gegevens beschermt zodat personen, andere producten of systemen de juiste mate van gegevenstoegang hebben passend bij hun soort en niveau van autorisatie. Vertrouwelijkheid (Confidentiality) De mate waarin een product of systeem ervoor zorgt dat gegevens alleen toegankelijk zijn voor diegenen die geautoriseerd zijn.
Integriteit (Integrity) De mate waarin een systeem, product of component ongeautoriseerde toegang tot of aanpassing van computerprogramma's of gegevens verhindert.
Onweerlegbaarheid (Non-repudiation) De mate waarin kan worden bewezen dat acties of gebeurtenissen plaats hebben gevonden, zodat later deze acties of gebeurtenissen niet ontkend kunnen worden.
Verantwoording (Accountability) De mate waarin acties van een entiteit getraceerd kunnen worden naar die specifieke entiteit.
Authenticiteit (Authenticity) De mate waarin bewezen kan worden dat de identiteit van een onderwerp of bron is zoals wordt beweerd.
Onderhoudbaarheid (Maintainability) De mate waarin een product of systeem effectief en efficiënt gewijzigd kan worden door de aangewezen beheerders. Modulariteit (Modularity) De mate waarin een systeem of computerprogramma opgebouwd is in losstaande componenten zodat wijzigingen van een component minimale impact hebben op andere componenten.
Herbruikbaarheid (Reusability) De mate waarin een bestaand onderdeel gebruikt kan worden in meer dan één systeem of bij het bouwen van een nieuw onderdeel.
Analyseerbaarheid (Analysability) De mate waarin het mogelijk is om effectief en efficiënt de impact, van een geplande verandering van een of meer onderdelen, op een product of systeem te beoordelen, om afwijkingen en/of foutoorzaken van een product vast te stellen of om onderdelen te identificeren die gewijzigd moeten worden.
Wijzigbaarheid (Modifiability) De mate waarin een product of systeem effectief en efficiënt gewijzigd kan worden zonder fouten of kwaliteitsvermindering tot gevolg.
Testbaarheid (Testability) De mate waarin effectief en efficiënt testcriteria vastgesteld kunnen worden voor een systeem, product of component en waarin tests uitgevoerd kunnen worden om vast te stellen of aan die criteria is voldaan.
Overdraagbaarheid (Portability) De mate waarin een systeem, product of component effectief en efficiënt overgezet kan worden van één hardware, software of andere operationele of gebruiksomgeving naar een andere. Aanpasbaarheid (Adaptability) De mate waarin een product of systeem effectief en efficiënt aangepast kan worden voor andere of zich ontwikkelende hardware, software of andere operationele of gebruiksomgevingen.
Installeerbaarheid (Installability) De mate waarin het product of het systeem effectief en efficiënt geïnstalleerd of verwijderd kan worden in een gespecificeerde omgeving.
Vervangbaarheid (Replaceability) De mate waarin een product een ander specifiek softwareproduct, met hetzelfde doel in dezelfde omgeving, kan vervangen.
Geschiktheid voor gebruik (Quality in use)
Effectiviteit (Effectiveness) De nauwkeurigheid en volledigheid waarmee gebruikers gespecificeerde doelen behalen.
Efficiëntie (Efficiency) De benodigde hulpbronnen die gebruikt zijn in verhouding tot de nauwkeurigheid en volledigheid waarmee gebruikers doelen behalen.
Voldoening (Satisfaction) De mate waarin gebruikersbehoeften vervuld worden als het product of systeem gebruikt wordt in een gespecificeerde gebruikscontext. Bruikbaarheid (Usefulness) De mate waarin een gebruiker tevreden is met de voor de gebruiker waargenomen behaalde doelen, inclusief de resultaten van het gebruik van het systeem en de consequenties van het gebruik van het systeem.
Vertrouwen (Trust) De mate waarin een gebruiker of andere betrokkene vertrouwen heeft dat het product of systeem zich zal gedragen zoals bedoeld.
Plezier (Pleasure) De mate waarin een gebruiker plezier haalt uit het verwezenlijken van zijn persoonlijke behoeften.
Welzijn (Comfort) De mate waarin een gebruiker tevreden is over zijn fysieke welzijn.
Vrijwaring tegen risico (Freedom from risk) De mate waarin een product of systeem het potentiële risico beperkt met betrekking tot economische status, mensenlevens, gezondheid of de omgeving. Economisch-risico-beperking (Economic risk mitigation) De mate waarin een product of systeem de potentiële risico's beperkt met betrekking tot financiële status, efficiënte werking, commerciële eigendommen, reputatie of andere middelen in de beoogde gebruikscontexten.
Gezondheids- en veiligheidsrisicobeperking (Health and safety risk mitigation) De mate waarin een product of systeem de potentiële risico's met betrekking tot personen beperkt in de beoogde gebruikscontexten.
Omgevingsrisicobeperking (Environmental risk mitigation) De mate waarin een product of systeem de potentiële risico's met betrekking tot eigendommen of de omgeving beperkt in de beoogde gebruikscontexten.
Contextdekking (Context coverage) De mate waarin een product of systeem gebruikt kan worden met effectiviteit, efficiëntie, vrijheid van risico en voldoening zowel in de gespecificeerde gebruikscontexten als in niet initieel gespecificeerde gebruikscontexten. Contextcompleetheid (Context completeness) De mate waarin een product of systeem gebruikt kan worden met effectiviteit, efficiëntie, vrijheid van risico en voldoening in alle gespecificeerde gebruikscontexten.
Flexibiliteit (Flexibility) De mate waarin een product of systeem gebruikt kan worden met effectiviteit, efficiëntie, vrijheid van risico en voldoening in gebruikscontexten die niet initieel gespecificeerd zijn in de requirements.