Isaac le Maire

Isaac le Maire
Algemene informatie
Geboortedatum 1558Bewerken op Wikidata
Geboorteplaats DoornikBewerken op Wikidata
Overlijdensdatum 20 september 1624Bewerken op Wikidata
Overlijdensplaats Egmond aan den HoefBewerken op Wikidata
Werk
Beroep winkelier, ondernemer, koopman, rederBewerken op Wikidata
Familie
Kinderen Jacob le Maire, Maximiliaan le Maire
graf

Isaac le Maire (Doornik, 1558/1559 – Egmond aan den Hoef, 20 september 1624) was een koopman die handelde op de Oostzee en de Middellandse Zee, en een bewindhebber van de Brabantsche Compagnie. Bij de oprichting van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) in 1602 was hij eveneens een van de bewindhebbers en een van de grootste aandeelhouders. In 1616 richtte hij de Austraalse Compagnie op. Tegenwoordig is hij vooral bekend om zijn aanhoudend conflict met de VOC-bewindhebbers, wat uiteindelijk leidde tot de ontdekking van Kaap Hoorn.

Levensloop

Jongere jaren

Hoewel Le Maire een van de rijkste inwoners van Holland was, is over de eerste veertig jaar van zijn leven weinig bekend. Hij werd in 1558 of 1559 in Doornik geboren. Hij was de zoon van de Doornikse koopman Jacques le Maire, die samen met diens broer Adam le Maire in de tweede helft van de zestiende eeuw handelde op de Oostzee en in Archangelsk. Na de verovering van Doornik in 1581 door de Spanjaarden onder Alexander Farnese vluchtte hij naar Antwerpen. Daar leerde Isaac het koopmansambacht van zijn zwager Jacques van de Walle. In 1584 stond hij in Antwerpen geregistreerd als welgesteld kruidenier en was hij tevens kapitein in het vendel van de Antwerpse burgerwacht. Hij was er getrouwd met Maria Jacobsdr. Walraven en huurde het pand Schilt van Bourgognien aan de Kaasstraat. Na de Val van Antwerpen in 1585 vluchtte het echtpaar naar Amsterdam. Zij kregen tweeëntwintig kinderen. Zijn zoon Jacob verwierf bekendheid als ontdekkingsreiziger, terwijl een andere zoon, Maximiliaan, in 1641 het eerste VOC-opperhoofd van Dejima in Japan werd.

Handelaar in Amsterdam

In 1592 duikt zijn naam in Amsterdam op als deelnemer in de oudst bekende zeeverzekeringspolis. In de daaropvolgende jaren groeide zijn betekenis in de handel op Europese wateren gestaag. Dankzij zijn familienetwerk kon hij daarvoor aanzienlijke investeringen doen. Met de kooplieden Pieter van de Pulle en Dirck van Os vormde hij een compagnie voor de handel op Rusland, die Baltisch graan en hout naar Spanje vervoerde. Schepen die vanuit Archangelsk vertrokken met leer, was, bont en kaviaar hadden vaak Venetië of Livorno als eindbestemming. Daarnaast handelde de compagnie in wissels, zeeverzekeringen en bevrachtingen. Tussen 1594 en 1598 was hij een geduchte mededinger in de vishandel tussen Engeland en Spanje.

In navolging van de Eerste Schipvaart richtte Le Maire zijn blik op de handel met de Indische Archipel. In 1599 was hij medeoprichter van de Brabantsche Compagnie, die twee zeereizen naar Oost-Indië uitvoerde. In korte tijd werd ongeveer 400% winst gemaakt, en Le Maire kocht grote hoeveelheden land bij Egmond aan den Hoef uit de vrijwel failliete boedel van Lamoraal II van Egmont.

Vanaf 1600 concentreerde hij zich op de handel met Oost-Indië, terwijl hij ook al actief was op West-Indië. Op 19 februari 1601 werd hij officieel burger van Amsterdam, wat ongetwijfeld verband hield met de door de stad gearrangeerde fusie van de Brabantsche en de Oude Compagnie tot de Vereenigde Amsterdamsche Compagnie. Deze compagnie, waarin Le Maire deelnemer was, rustte onder leiding van Jacob van Heemskerck acht schepen uit naar Oost-Indië.

VOC-aandeelhouder

In 1602 gingen alle Nederlandse compagnieën op in de VOC. Le Maire schreef in voor 97.000 gulden en was daarmee de grootste aandeelhouder van de Amsterdamse kamer. Om die reden werd hij een van de bewindhebbers van de Amsterdamse afdeling en maakte hij deel uit van de eerste Heren XVII, het centrale bestuur van de VOC. Al spoedig raakte hij in conflict met de VOC en de kerkeraad wegens malversaties rond de zeereis van Wybrand van Warwijck in 1602, die buiten de VOC om was georganiseerd maar wel op naam van VOC-bewindhebbers stond. Le Maire kon op papier de kosten niet verantwoorden die hij beweerde te hebben gemaakt aan de tuigage van de vloot. Historicus Pertram vermoedt dat hij de rekening had vervalst, omdat hij voor zijn investeringen recht had op een vergoeding. De schout ondervroeg hem, maar kon de fraude niet bewijzen omdat de andere bewindhebbers weigerden de benodigde inlichtingen te verstrekken. Daardoor kon Le Maire met de schout een schikking treffen voor een bedrag van 1.200 Vlaamse pond. Vanwege de affaire werd hij door de VOC gedwongen op 22 februari 1605 af te treden als bewindhebber.

Waarschijnlijk was het zwijgen van de bewindhebbers de reden dat Le Maire na zijn vertrek instemde met het ondertekenen van een overeenkomst om zich in de toekomst te onthouden van concurrentie met de VOC. Hij werd verplicht expliciet te verklaren af te zien van handel ten oosten van Kaap de Goede Hoop en van de doorvaart door de Straat Magellaan naar het westen. Evenmin mocht hij particulieren of bedrijven adviseren over de handel in Indië. Als onderpand voor die belofte moest hij enkele landerijen in Egmond aan den Hoef afstaan, en als borgsom een bedrag van 3.000 Vlaamse pond betalen. Deze gebeurtenissen lagen aan de basis van zijn voortdurende tegenwerking van de VOC. Na zijn vertrek richtte hij zich weer op de Europese kustvaart, voornamelijk in graan, maar de winstgevende handel met Indië bleef hem trekken.

Concurrent VOC

De eerste mogelijkheid om de VOC dwars te zitten, zag Le Maire in de Franse pogingen om een handelscompagnie op Indië op te richten. Koning Hendrik IV van Frankrijk nodigde hem in 1607 uit ondersteuning te verlenen, waarmee Le Maire het concurrentiebeding met de VOC negeerde.

Le Maire stelde voor Henry Hudson een nieuwe zeeroute naar Indië te laten ontdekken via de Noordoostelijke Doorvaart, waarvoor Hudson namens Engeland al twee mislukte pogingen had gedaan. Door via deze route handel te drijven, zou hij geen contractbreuk met de VOC plegen.

De VOC kreeg er lucht van en kocht Hudson af. Daarop besloten Le Maire en de koning Melchior van den Kerckhove de nieuwe route te laten verkennen, maar ook deze tocht liep op een mislukking uit.

In 1609 reisde Isaac le Maire samen met Joris van Spilbergen, Balthazar de Moucheron, Gerard le Roy, Hans de Decker en anderen naar Parijs om opnieuw de oprichting van een Franse Oost-Indische Compagnie te bespreken. De Moucheron speelde daarbij een dubbelrol: hij had de Nederlandse gezant François van Aerssen gevraagd wat hij ervoor over was om de gesprekken te saboteren. Het wantrouwen dat dit aan Franse zijde jegens Le Maire wekte, deed het overleg vastlopen.

Binnen de VOC wekten Le Maires intriges grote verontwaardiging, maar tot concrete stappen tegen hem kwam het niet.

Speculant VOC-aandelen

Op 11 februari 1609 richtte Le Maire samen met tien anderen de Groote Compagnie op, met als doel te handelen in VOC-aandelen die de deelnemers nog niet in eigen bezit hadden. Le Maire was directeur en bezat 4/15 van de aandelen, waarmee hij de grootste aandeelhouder was. Het consortium bracht grote partijen VOC-aandelen op de markt. Daarnaast deden Le Maire en zijn kompanen aan naked short selling: zij spraken af om een koper op termijn — één of twee jaar vooruit — aandelen te leveren waarvan de verkoopprijs van tevoren was vastgelegd, maar die zij nog niet in bezit hadden. Zij speculeerden erop dat de koers in de tussentijd zou dalen, zodat zij de te leveren aandelen kort voor de afwikkelingsdatum goedkoper konden inkopen.

Le Maire ging er waarschijnlijk van uit dat de concurrentie van de op te richten Franse Oost-Indische Compagnie de koers aanzienlijk zou doen dalen, maar die compagnie kwam er niet omdat de Franse koning in 1610 werd vermoord. Om de koers alsnog te drukken, werden met succes allerlei geruchten verspreid. Vooral in 1609 daalde de koers van het VOC-aandeel aanzienlijk.

Via de Staten-Generaal wist de VOC te bewerkstelligen dat in 1610 een verbod werd ingesteld op de handel in aandelen die niet in eigen bezit waren. Dit verbod was echter nog niet van toepassing op de lopende transacties van Le Maire en zijn kompanen. De koers van het VOC-aandeel steeg desondanks, waardoor de naked short sellers niet in staat waren de aandelen voor levering goedkoper in te kopen. Verscheidene aandeelhouders van Le Maires aandelenbedrijf gingen failliet en ook Le Maire zelf verloor geld; het consortium verloor in totaal 45.000 gulden. Omdat niet alle aandeelhouders aan hun financiële verplichtingen konden voldoen en enkelen malversaties hadden gepleegd, werd Le Maire voor de rechtbank gesleept. Dit bracht hem ertoe afstand te doen van zijn Amsterdamse eigendommen en de hoofdstad te verlaten.

VOC-monopolie doorbroken

Isaac le Maire trok zich terug op zijn bezittingen in Egmond aan den Hoef, die hij tussen 1598 en 1600 had gekocht uit de boedel van de door schuldeisers geplaagde Lamoraal II van Egmont. Opnieuw maakte hij plannen om het VOC-monopolie te doorbreken. Op grond van reisverslagen concludeerde hij dat er ten zuiden van de Straat Magellaan nog een doorgang kon bestaan van de Atlantische naar de Stille Oceaan. In 1614 richtte hij daarvoor de Austraalse Compagnie op, met als doel deze doorgang — die buiten het VOC-monopolie viel — te ontdekken.

De reis werd voorbereid in Hoorn en zou onder leiding staan van zijn zoon Jacob. Willem Cornelisz Schouten werd als ervaren kapitein aangetrokken. De zeilopdracht bepaalde dat als een nieuwe route naar de Stille Oceaan niet gevonden zou worden, er niet door de Straat Magellaan gevaren mocht worden.

Destijds leefde de gedachte dat er nabij Zuid-Amerika een groot onbekend zuidelijk continent zou liggen. Isaac le Maire hoopte dit te ontdekken en daarmee een nieuw handelsgebied aan te boren, maar zijn voornaamste drijfveer was het omzeilen van het VOC-monopolie.

Hoewel de zeilinstructie bepaalde dat er geen handel mocht worden gedreven op kusten waar de VOC gevestigd was, moest Jacob bij aankomst in Oost-Indië aan de VOC-bewindhebbers duidelijk maken dat zij het monopolie niet hadden geschonden, omdat zij noch via Kaap de Goede Hoop noch door de Straat Magellaan waren gevaren. Vervolgens moest hij toestemming vragen om handel te drijven. Omdat dat verzoek naar verwachting niet ingewilligd zou worden, moest Jacob alles in het werk stellen om gouverneur-generaal Gerard Reynst — die net als Isaac le Maire deelnemer in de Brabantsche Compagnie was geweest — voor zich te winnen. Dat ging zelfs zover dat Jacob Reynst de hand van een van zijn dochters moest vragen. Op deze manier hoopte Isaac le Maire tweespalt te zaaien: als Reynst toestemming zou verlenen om in Indië te handelen, zou dat binnen de VOC tot een groot conflict kunnen leiden.

Op 14 juni 1615 vertrokken de schepen Eendracht en de Hoorn vanaf Texel. De reis werd in zoverre een succes dat het monopolie van de VOC door de ontdekking van de doorvaart langs Kaap Hoorn inderdaad werd doorbroken, maar het mythische zuidelijke continent werd niet gevonden. De geheime instructie kon niet worden uitgevoerd, omdat Reynst inmiddels was overleden. Na het vertrek van de schepen had de VOC lucht gekregen van de expeditie en opdracht gegeven de schepen bij aankomst in Oost-Indië te confisqueren. De Eendracht werd inderdaad in beslag genomen; de Hoorn was eerder door brand verloren gegaan. Ook de scheepsjournalen werden in beslag genomen, en Jacob le Maire en Willem Cornelisz Schouten werden teruggestuurd naar Holland. Jacob overleed onderweg.

Nasleep zeereis

De VOC herschreef de geschiedenis door de ontdekking van Kaap Hoorn geheel aan Willem Cornelisz Schouten toe te kennen en publiceerde zijn scheepsjournaal, waaruit de naam van Jacob le Maire was geschrapt. Isaac le Maire heeft jarenlang geprocedeerd om dit recht te zetten. In 1619 oordeelde de rechtbank dat de Eendracht ten onrechte in beslag was genomen en dat de journalen moesten worden teruggegeven. Daarop liet Le Maire in 1622 de Spieghel der Australische Navigatie door den Wijtvermaerden ende Cloeckmoedighen Zee-heldt Jacob Le Maire publiceren, om recht te doen aan de nagedachtenis van zijn zoon. Voor de geleden schade werd hem 64.000 Vlaamse pond toegezegd. Tegelijkertijd vonniste de rechtbank echter dat de Austraalse Compagnie geen handel mocht drijven in het Oost-Indische gebied, maar wel het recht had te reizen via de nieuw ontdekte route langs Kaap Hoorn. Een jaar eerder was echter de West-Indische Compagnie opgericht, die in haar octrooi het monopolie had verkregen op reizen via de Straat Magellaan én andere routes in die omgeving. Dat was in strijd met de rechten die aan Le Maire en zijn Austraalse Compagnie waren verleend. Le Maire was echter moegestreden en stierf op 20 september 1624.

Hij werd begraven in de Buurkerk van Egmond Binnen. Op zijn grafsteen stond vermeld dat hij gedurende dertig jaar, behalve zijn eer, meer dan 1.500.000 gulden had verloren — voor die tijd een gigantisch bedrag. De Austraalse Compagnie zette de juridische strijd voort, maar de Staten-Generaal besloten in 1644 uiteindelijk in het nadeel van de compagnie.

Inpolderingspoging

Le Mairs polder bij Den Helder. Kaart uit 1641 door Claes Jansz. Visscher. (zicht vanuit het noorden)

Minder bekend is dat Isaac le Maire een bescheiden rol speelde als inpolderaar in Noord-Holland. Bij Huisduinen liet hij over een afstand van twee kilometer een dijk aanleggen.

In 1599 kocht Le Maire van de in de schulden stekende graaf Lamoraal II van Egmont de Oogduingronden ten zuidoosten van Huisduinen voor 7.000 gulden, waarschijnlijk als beleggingsobject. Rond 1600 waren de graanprijzen hoog en Le Maire was niet de enige welgestelde Nederlander die door droogmakerij of inpoldering op relatief goedkope manier dure landbouwgrond probeerde te creëren. De weilanden van de Hoogduinen waren voor landbouw te riskant, omdat zij bij storm onder water liepen. Het gebied diende als weidegrond en de opbrengst was daardoor beperkt. Om de gronden geschikt te maken voor landbouw, ontwikkelde Le Maire een bedijkingsplan in twee fases. De eerste fase betrof een proefbedijking: de aanleg van een dijk van de Hoogduinen naar de Nieuwlanderdijk om de Hoogduinen af te sluiten voor binnendringend zeewater. Bij succes voorzag een tweede fase in de bedijking van het kweldergebied in de noordelijke Koegrasgronden.

Na enige strubbelingen werd deze dijk in 1600/1601 gerealiseerd. Le Maire verloor echter zijn interesse in verdere inpoldering, doordat hij in de ban raakte van de handel op Oost-Indië, die veel winstgevender leek.

Pas in 1640 — Le Maire was toen al zestien jaar dood — werd na een overeenkomst tussen de Erven van Le Maire en de Gecommitteerde Raden in Hoorn de dijk aangelegd tussen de Hoogduinen, De Garst en Quelderduin. De polder kreeg de toepasselijke naam Le Maires polder, maar verdere inpoldering bleef uit.

De gronden bleven tot 1789, overeenkomstig zijn testamentaire wens, in gemeenschappelijk beheer van zijn nakomelingen, de zogeheten Erven van Le Maire. Daarna kwamen zij voor 60.000 gulden in eigendom van de Gecommitteerde Raden van Holland en Westfriesland.

Literatuur