Isaac de Benserade

Isaac de Benserade (gedoopt 5 november 1613 in Lyons-la-Forêt - 10 oktober 1691) was een Frans dichter en toneelschrijver. Hij stond aanvankelijk onder bescherming van Kardinaal de Richelieu, die hem een jaarlijks pensioen verleende. Na diens dood verloor hij deze steun, maar hij verwierf vervolgens een positie aan het Franse hof, vooral in de gunst van koningin Anna van Oostenrijk (1601-1666).

Op 23‑jarige leeftijd schreef Benserade zijn eerste tragedie, Cléopâtre (1636), voor de actrice Mademoiselle Bellerose. Zijn eerste komedie was Iphis et Iante, die in 1634 in het Hôtel de Bourgogne aan de Parijse rue Etienne Marcel in première ging. Dit stuk behandelt vrouwelijke homoseksualiteit in de vorm van verkleedmotieven, een thema dat in de Franse literatuur van de 17e eeuw geregeld voorkwam.

Benserade schreef tragedies en komedies voor het Parijse toneel en leverde teksten voor hofballetten. In 1674 werd hij lid van de Académie française. Voor het Labyrint van Versailles vervaardigde hij vierregelige verzen bij 39 fonteingroepen met scènes uit Aesopus’ fabels. Zijn bewerking van de Metamorfosen (Ovidius) in rondelvorm (1676) werd kritisch ontvangen, maar schaadde zijn reputatie bij tijdgenoten niet blijvend.

Hij is vooral bekend om zijn Sonnet over Job uit 1651. Dit gedicht werd vergeleken met Uranie van de dichter Vincent Voiture en leidde tot een literaire polemiek aan het hof, waarbij bewonderaars zich verdeelden in twee kampen, de zogeheten Jobelins en Uranisten.

In zijn laatste jaren trok Benserade zich terug in Gentilly, waar hij werkte aan een poëtische vertaling van het bijbelboek Psalmen.