| Jacob Burckhardt | ||
|---|---|---|
Jacob Burckhardt in 1892. | ||
| Persoonlijke gegevens | ||
| Titulatuur/graad | Doctor of Philosophy | |
| Volledige naam | Jacob Burckhardt | |
| Geboortedatum | 25 mei 1818 | |
| Geboorteplaats | Bazel | |
| Overlijdensdatum | 8 augustus 1897 | |
| Overlijdensplaats | Bazel | |
| Nationaliteit | ||
| Academische achtergrond | ||
| Alma mater | Rheinische Friedrich-Wilhelms-Universiteit (april 1841 – september 1841), Frederick William Universiteit (1839 – 1843), Universiteit van Bazel | |
| Opleiding/studierichting | theologie, geschiedeniswetenschap | |
| Promotie | habilitatie (1844) | |
| Archieflocatie(s) | Universiteitsarchief van ETH Zürich, Universiteitsarchief van ETH Zürich, Basel University Library (institution), state archives of the Canton of Basel-Stadt (collection) | |
| Wetenschappelijk werk | ||
| Vakgebied | cultuur- en kunstgeschiedenis | |
| Universiteit | Universiteit van Bazel Zürich | |
| Bekende werken | Die Kultur der Renaissance in Italien | |
| Erkenning en lidmaatschap | ||
| Lid van | Göttinger Academie van Wetenschappen, Zofingia, Accademia dei Lincei (26 augustus 1896), Beierse Academie van Wetenschappen en Geesteswetenschappen | |
| Werken in collectie | Stedelijk Museum Amsterdam | |
| Links | ||
| Dbnl-profiel | ||
Jacob Burckhardt (Bazel, 25 mei 1818 – aldaar, 8 augustus 1897) was een Zwitsers cultuur- en kunsthistoricus en hoogleraar.

Jacob Burckhardt is een van de vooraanstaandste kunsthistorici uit de beginperiode van deze discipline. Hij studeerde aan de universiteiten van Bonn en Berlijn. In Berlijn bezocht hij tussen 1839 en 1843 lessen van onder anderen Leopold von Ranke, Johann Gustav Droysen, August Boeckh, Franz Theodor Kugler en Jacob Grimm. Hij leerde er ook Bettina von Arnim kennen.
Burckhardt doceerde aan de universiteiten van Bazel en Zürich. In 1858 keert hij van Zürich terug naar Bazel, waar hij tot 1893 lesgaf. Hij werd in dit jaar opgevolgd door Heinrich Wölfflin, een van zijn studenten.
Burckhardt is vooral bekend geworden met zijn werken over de cultuur van de renaissance. Zijn belangrijkste boek is Die Kultur der Renaissance in Italien uit 1860, dat tot op de dag van vandaag een standaardwerk is. Daarnaast heeft hij ook werken geschreven over Peter Paul Rubens, de middeleeuwen en de klassieke oudheid, zoals Griechische Kulturgeschichte. Hij zag in de renaissance de wederkomst van de westerse beschaving zoals die in de klassieke tijd was geweest. Het belangrijkste van de renaissance vond hij de seculiere wereldvisie en het zelfbewustzijn van de 'gewone' man. Zijn manier van schrijven wordt als zeer levendig omschreven en zijn werken worden vandaag de dag nog veel geciteerd.
Hij voerde briefcorrespondentie met onder anderen Friedrich Nietzsche, en vanaf 1852 ook met de Zwitserse schrijfster Emma Brenner-Kron (1823-1875), die hij in 1854 voor het eerst zou ontmoeten. Sinds 1995 droeg het grootste bankbiljet van Zwitserland, dat van 1.000 Zwitserse frank, Burckhardts portret.
Hedendaagse historici spreken Burckhardt steeds meer tegen. De manier waarop hij de renaissance voorstelt als allesomvattende breuk met het verleden lijkt overdreven. De breuk was veel minder groot dan hij dacht. De renaissance was veeleer een verandering voor de elite en heeft wellicht niet de invloed gehad op de samenleving die Burckhardt ze toeschreef.
Als gevolg van deze 'revisionisten' dreigde de term 'renaissance' onder historici in onbruik te raken. Sommigen riepen op om een einde te maken aan het gebruik van de term, die zij zagen als een product van presentisme – het anachronistisch gebruik van de geschiedenis om moderne idealen te verheerlijken. Voor zover zij de term 'Renaissance' gebruiken, bedoelen zij hiermee de overgangstijd van Middeleeuwen naar Nieuwe Tijd zonder de connotatie van een culturele bloeiperiode voor heel Europa. In dat geval worden in de regel zowel de vijftiende als een groot deel van de zestiende eeuw tot de renaissance gerekend.
Binnen de westerse kunstgeschiedenis was Erwin Panofsky (1892-1968) een voorstander van de periodisering zoals Burckhardt voorstaat. Hij verdedigt in zijn boek Renaissance and renascenses in western art uit 1960 Burckhardts opvatting van de renaissance als een breukperiode met de voorafgaande middeleeuwen. Meer en meer lijkt echter het standpunt terrein te winnen dat er geen sprake is geweest van een bruuske overgang van middeleeuwen naar renaissance. 'Middeleeuwse' figuren als Dante Alighieri (1265-1321), Francesco Petrarca (1304-1374) en Giovanni Boccaccio (1313-1375) zouden richtinggevend en inspirerend zijn geweest voor het ontstaan van een nieuw geestelijk klimaat en zo het pad hebben voorbereid.

Postuum uitgegeven: