Jan Kops

Jan Kops
Portret van Jan Kops
Portret van Jan Kops
Algemene informatie
Geboren 6 maart 1765
Amsterdam
Overleden 9 januari 1849
Utrecht
Nationaliteit Nederlands
Beroep predikant, plantkundige en landbouwkundige
Bekend van Flora Batava
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Janus (Jan) Kops (Amsterdam, 6 maart 1765 - Utrecht, 9 januari 1849) was een Nederlands doopsgezinde predikant, botanicus en landbouwkundige. Hij was hoogleraar landhuishoudkunde en kruidkunde te Utrecht, en rector magnificus aldaar in het jaar 1828-1829.

Kops was een van de eerste drie hoogleraren in de landhuishoudkunde, die in 1815 werden benoemd. De andere twee waren Jan Arnold Bennet, benoemd in Leiden, en Jacobus Albertus Uilkens in Groningen.

Levensloop

Jeugd, opleiding en werk als predikant

Kops was de vijfde zoon van de Amsterdamse koopman Jakob Kops en Hillegonda Schotvanger, die behoorden tot de Doopsgezinde gemeente. Op negenjarige leeftijd verloor hij beide ouders en werd hij verder opgevoed door zijn stiefmoeder Elisabeth Audrouis in Haarlem.

Kops volgde hier het Stedelijk Gymnasium Haarlem, waar hij in 1776 vriendschap sloot met de latere historieschrijver Adriaan Loosjes. Samen verdiepten ze zich in de studie van de vaderlandse letteren en de botanica, waarover Loosjes lessen volgde bij David de Gorter. Bij het verlaten van het gymnasium in 1781 sprak hij een Oratiuncula de contemplatione naturae.

Kops had geen ambitie in de koophandel en wilde graag natuurwetenschap studeren. Dit bood echter geen uitzicht op een maatschappelijke loopbaan en daarom besloot hij zich aan de godgeleerdheid te wijden. Terug in Amsterdam in 1781 volgde hij theologie onderwijs aan het seminarie der Doopsgezinden, waar Heere Oosterbaan doceerde. Hiernaast volgde hij lessen aan het Athenaeum Illustre onder andere bij Daniël Wyttenbach, Herman Tollius, en ook kortstondig bij Jean Henri van Swinden.

In 1788 werd hij predikant in Leiden, maar eigenlijk lag zijn hart bij de botanie. In 1800 werd hij aangesteld als “commissaris tot de zaken van de landbouw” bij de landbouwafdeling van het Agentschap van Nationale Oeconomie in Den Haag. In 1811 is op zijn initiatief een Kabinet van Landbouw gevestigd, eerst te Amsterdam, later te Utrecht.

Hoogleraar in Utrecht

In 1815 werd Kops door Koning Willem I benoemd tot de eerste hoogleraar in de landhuishoudkunde aan de Universiteit Utrecht. Op 15 februari 1816 sprak Kops de inaugurele rede "Inwijdings-redevoering over het belang van het academisch onderwijs in de Nederlandsche landhuishoudkunde". In het academisch jaar 1829/1829 diende hij als rector magnificus aan de universiteit, en in 1835 ging hij met emeritaat.

Kops ontving vele eerbewijzen. Zo was hij onderscheiden als Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, lid der eerste klasse van het Koninklijk Nederlandsch Instituut van wetenschappen, fraaije letteren en kunsten, directeur van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap en lid der Maatschappij der Nederlandse Letterkunde.

Persoonlijk

Kort vóór zijn intrede te Leiden huwde hij met Catharina Daams (1768-1805), en ze hadden 6 zoons en 5 dochters. In 1807 hertrouwde hij met Helena Biljouw (1774-1855) met wie hij nogmaals 5 zoons en 1 dochter kreeg.

Werk

Als weerslag van zijn botanisch onderzoek verscheen in 1800 het eerste deel van de Flora Batava, een standaardwerk dat na zijn dood door anderen, onder wie Frederik Willem van Eeden, werd voortgezet en in 1934 met het 28ste deel voltooid werd.

In 1803 publiceerde hij de eerste aflevering van het eerste Nederlandse landbouwtijdschrift, het Magazijn van Vaderlandschen Landbouw (Haarlem, 1803-1814) in 6 delen. In 1805 werden dankzij zijn doorzettingsvermogen in alle gewesten Commissiën van Landbouw opgericht, die onder meer moesten dienen als adviesorganen voor het landbouwbeleid. In 1815 werd hij benoemd tot hoogleraar in de landhuishoudkunde en de kruidkunde te Utrecht, maar zijn kennis van de botanie was toen al niet meer actueel, zoals oud-studenten later te kennen gaven.

Trivia

Jan Kopshuis

De in 1981 geopende Universiteitsbibliotheek van de toenmalige Landbouwhogeschool kreeg de naam Jan Kopshuis. Met de sloop van dit gebouw in april 2011 is deze naam weer uit Wageningen verdwenen.

Carl Ludwig Blume noemde het plantengeslacht Kopsia naar Jan Kops.

Publicaties

Over Jan Kops