
De Kambojas waren een Zuidoost-Iraans volk dat in het meest noordoostelijke deel van het door Iraanse stammen bewoonde gebied woonde dat grensde aan de Indiase gebieden. Ze komen alleen voor in Indo-Arische inscripties en literatuur en worden voor het eerst aangetroffen in het latere deel van de Vedische periode.
Ze spraken een taal die leek op het Jongere Avestisch, waarvan de woorden vermoedelijk zijn opgenomen in de Aramees-Iraanse versie van de Grieks-Aramese inscriptie van Kandahar, geschreven door de Maurya-keizer Ashoka (r. 268 - 232 v.Chr.). Ze waren waarschijnlijk aanhangers van het zoroastrisme, zoals blijkt uit hun overtuiging dat insecten, slangen, wormen, kikkers en andere kleine dieren gedood moesten worden, een praktijk die vermeld staat in de Avestaanse Vendidad.
Kamboja (later: Kāmboja-) was de naam van hun grondgebied en gelijkluidend aan de Oud-Iraanse naam *Kambauǰa-, waarvan de betekenis onzeker is. Een theorie die al geruime tijd bestaat, is die van Jarl Charpentier uit 1923. Deze suggereerde dat de naam verband hield met die van Cambyses I en Cambyses II (in het Oudperzisch *Kambū̌jiya* of *Kambauj*), beiden koningen uit de Achaemenidische dynastie. Deze theorie is meermaals besproken, maar de problemen die ermee gepaard gaan zijn nooit op overtuigende wijze opgelost. In hetzelfde jaar opperde Sylvain Lévi dat de naam van Austro-aziatische oorsprong was, al wordt dit doorgaans verworpen.
De Kambojas komen alleen voor in Indo-Arische inscripties en literatuur en worden voor het eerst vermeld in het latere deel van de Vedische periode. De Naighaṇṭukas, een woordenlijst en het oudste bewaard gebleven geschrift over Indiase lexicografie, is de eerste bron waarin ze worden genoemd. In de Nirukta, zijn boek over etymologie, vermeld de oude Indiase auteur Yaska over de Naighaṇṭukas dat "het woord śavati als werkwoord van beweging alleen door de Kambojas wordt gebruikt", een bewering die min of meer werd herhaald door latere auteurs, zoals de grammaticus Patanjali (2e eeuw v.Chr.) in zijn Mahabhashya. Het woord śavati is gelijk aan š́iiauua- in het Jongere Avestisch, wat aantoont dat de Kambojas een Iraanse taal spraken die er nauw mee verwant was. De moderne historicus Michael Witzel vermoedde dat grammatici en lexicografen rond 500 v.Chr., of misschien zelfs eerder, voor het eerst met het woord in aanraking moeten zijn gekomen, aangezien Yaska en Patanjali beiden hetzelfde voorbeeld gebruikten.

De belangrijkste rotsinscripties van de Maurya-keizer Ashoka (r. 268 - 232) bevatten de eerste vermeldingen van de Kambojas die nauwkeurig gedateerd kunnen worden. Het dertiende edict zegt "onder Grieken en Kambojas" en het vijfde edict zegt "van Grieken, Kambojas en Gandharas". Het is onzeker of Ashoka alleen verwees naar de Kambojas of naar alle Iraanse stammen in zijn rijk. Desalniettemin maakten de genoemde groepen mensen deel uit van het Maurya-rijk, werden beïnvloed door de politiek, cultuur en religieuze tradities ervan, en hielden zich ook aan de ideologie van rechtvaardigheid die door Ashoka was vastgesteld.
Het grote Indiase epos Mahabharata vermeldt naast de Grieken, Gandharas, Bactriërs en Indo-Scythen ook de Kambojas. Geografische teksten in het Sanskriet en de Aṅguttara Nikāya vermelden de Kambojas als een van de zestien koninkrijken van het Indisch subcontinent tijdens het leven van de Boeddha. Verschillende kenmerken van de Kambojas worden ook beschreven in diverse soorten Sanskriet- en Pali- literatuur: ze schoren zichzelf kaal; ze hadden een koning; de naam van hun hoofdstad was Rāja-pura- (wat "koningsstad" betekent), maar de locatie ervan is onbekend. Zoals typerend was voor Iraniërs, stonden de Kambojas bekend om hun vaardigheid in het fokken van paarden, en men geloofd dat de paarden die zij fokten het meest geschikt waren voor gebruik in de strijd. Deze paarden werden in grote aantallen naar India gebracht en ook als tribuut gegeven. Indoloog Étienne Lamotte suggereert verder dat de reputatie van Kambojas als thuisland van paarden mogelijk de paardenfokkers, die bekendstaan als Aspasioi (van Oudperzisch aspa) en (van Sanskriet aśva "paard"), hun bijnaam heeft opgeleverd.
Na de dood van Ashoka raakte het Maurya-rijk in verval. Aan het begin van de 2e eeuw v.Chr. verloren ze hun grensgebieden tussen India en Iran (waaronder Gandhara en Arachosië) aan de troepen van Demetrios I (r. 200 - 180 v.Chr.), de koning van het Grieks-Bactrische koninkrijk. Als gevolg hiervan stond de Griekse bevolking van die gebieden opnieuw onder de heerschappij van hun Griekse landgenoten, terwijl de Kambojas andere Iraniërs ontmoetten, aangezien de Bactriërs waarschijnlijk een belangrijk onderdeel vormden van het veroverende leger, samen met de Grieken.
Sommige historici zijn van mening dat de Kambojas de Kamboja Pala-dynastie in Bengalen hebben gesticht, maar dit is onzeker. Volgens sommigen is het gesticht door Kambojas die zich in Bengalen hadden gevestigd, een theorie die mogelijk wordt ondersteund door de vermelding van een Kambojadeśa in de Lushai-heuvels in het Tibetaanse boek Pag Sam Jon Zang. Hem Chandra Raychaudhuri opperde dat de Kambojas mogelijk vanuit de noordwestelijke grensstreek naar Bengalen zijn gereisd in het kielzog van de Gurjara-Pratihara veroveringen tijdens het leven van Narayanapala. Hij voegt eraan toe dat die Kambojas wellicht posities hadden verworven en op een geschikt moment de macht grepen.
In Sithulpawwa Rajamaha Viharaya in het zuiden van het huidige Sri Lanka vermelden drie inscripties de naam "Kaboja", waarvan de Sri Lankaanse archeoloog en epigrafist Senarath Paranavithana suggereerde dat deze verwant is aan de naam "Kamboja". Soortgelijke varianten van de naam komen voor in andere inscripties in Sri Lanka, wat heeft geleid tot de suggestie dat een groep Kamboja-handelaren actief was in Sri Lanka.
Richard Strand beschouwt het Nuristani Kom-volk (ook bekend als Kamôzî of Kamôǰî) als afstammelingen van de Kamboja.
De Kambojas bewoonden het meest noordoostelijke deel van het aan de Indiase gebieden grenzende gebied dat bevolkt werd door Iraanse stammen. In 1918 suggereerde Lévi dat het Kafiristan was, maar trok dit later in 1923 in. Bruno Liebich suggereerde dat ze in de Kaboelvallei woonden, Jules Bloch suggereerde dat ze ten noordoosten van Kaboel woonden, en Étienne Lamotte meende dat ze van Kafiristan tot het zuidwestelijke deel van Kasjmir woonden.
In 1958 werd een nieuw voorstel gedaan door de Franse taalkundige Émile Benveniste. Hij trok een vergelijking tussen de Kambojas en de Grieken die in de Grieks-Aramese inscriptie van Kandahar werden beschreven, en de twee talen waarin deze waren geschreven als Grieks en "Aramao-Iraans" (Rijksaramees), wat verwijst naar de Iraanse taal die verborgen zit in de tekst van het Aramese alfabet. Ashoka wilde deze twee talen gebruiken om zijn religieuze boodschap over te brengen aan de inwoners van wat nu Oost-Afghanistan is, in de omgeving van Gandhara, ongeveer tussen Kaboel en Kandahar. Daarom was Benveniste van mening dat de Iraanse taal die in Ashoka's inscripties werd gebruikt, door de Kambojas werd gesproken. De iranologen Mary Boyce en Frantz Grenet onderschreven dit standpunt en stelden:
Het feit dat er Aramese versies zijn gemaakt, wijst erop dat de Kamboja een zekere mate van autonomie genoten en dat ze niet alleen hun Iraanse identiteit behielden, maar ook tot op zekere hoogte werden bestuurd door leden van hun eigen gemeenschap, aan wie de verantwoordelijkheid was toevertrouwd om de woorden van de koning aan hen over te brengen en deze in steen te laten graveren.
De Indo-Ariërs beschouwden de Kambojas als "anariya", niet-edel, vreemdelingen met hun eigen bijzondere tradities, zoals blijkt uit een deel van de boeddhistische Jataka-verhalen. Volgens de religieuze overtuigingen van de Kambojas moesten insecten, slangen, wormen, kikkers en andere kleine dieren gedood worden. Deze praktijk wordt al lange tijd door academici in verband gebracht met de Avestaanse Vendidad, wat hen tot de conclusie heeft geleid dat de Kambojas aanhangers van het zoroastrisme waren. Deze overtuigingen zijn gebaseerd op het zoroastrische dualisme, dat de boze geest toeschrijft aan wezens zoals deze en andere die giftig of weerzinwekkend zijn voor mensen. Daarom kregen de zoroastriërs de opdracht hen te vernietigen.